ECLI:NL:RBDHA:2026:6581

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
NL25.39330
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30a Vreemdelingenwet 2000Art. 15c KwalificatierichtlijnArt. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing opvolgende asielaanvraag Burkina Faso wegens ontbreken nieuwe feiten en omstandigheden

Eiser, een Burkinees, diende op 31 juli 2025 een opvolgende asielaanvraag in nadat zijn eerdere aanvraag in 2022 was afgewezen. Hij stelde dat de veiligheidssituatie in Burkina Faso, met name door een militaire staatsgreep en dreiging van islamitische terroristen, sterk was verslechterd.

De minister van Asiel en Migratie verklaarde de aanvraag niet-ontvankelijk omdat eiser geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd. Eiser betwistte dit en voerde aan dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom hij niet was gehoord en dat de situatie in zijn regio van herkomst (Regio Nord) was genegeerd.

De rechtbank oordeelde dat de minister terecht had afgezien van een hoorzitting en dat Ouagadougou als normale woonplaats van eiser kon worden aangemerkt. De rechtbank vond dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer. Ook het beroep op humanitaire omstandigheden was onvoldoende onderbouwd.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de niet-ontvankelijkheid van de aanvraag. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de niet-ontvankelijkheid van de opvolgende asielaanvraag wegens het ontbreken van nieuwe feiten en omstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.39330

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).

Procesverloop

Bij besluit van 14 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1990 en de Burkinese nationaliteit te hebben.
2. Eiser heeft op 27 februari 2021 voor het eerst een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 11 mei 2022 afgewezen door verweerder. Deze afwijzing staat in rechte vast. [1]
3. Op 31 juli 2025 heeft eiser de huidige, opvolgende asielaanvraag ingediend. Aan deze aanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat de veiligheidssituatie in Burkina Faso sterk is verslechterd sinds zijn vorige procedure. Eiser wijst daarbij op de militaire staatsgreep die in januari 2022 heeft plaatsgevonden. Eiser vreest voor zowel de militaire machthebbers als islamitische terroristen.
4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat eiser geen nieuwe feiten en omstandigheden aan zijn opvolgende aanvraag ten grondslag heeft gelegd.
5. Eiser voert daartegen het volgende aan. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom eiser niet is gehoord over zijn opvolgende asielaanvraag. Daarnaast heeft verweerder onvoldoende onderkend dat in Burkina Faso sprake is van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn (hierna: artikel 15c). Eiser heeft bij zijn aanvraag diverse stukken overgelegd ter onderbouwing van zijn betoog dat sprake is van een uitzonderlijke situatie en verweerder heeft zich ten onrechte beperkt tot de vraag of deze stukken informatie bevatten over militairen die het leger hebben verlaten. Verder is verweerder bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een uitzonderlijke situatie ten onrechte uitgegaan van de situatie in Ouagadougou en niet Regio Nord. Eisers laatste woonadres in Burkina Faso is namelijk gelegen in Regio Nord. Echter, ook in Ouagadougou is sprake van een mate van onveiligheid en willekeurig geweld. Eiser heeft voorts een beroep gedaan op de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 15 september 2025 [2] en zittingsplaats Roermond van 29 december 2025. [3] Tot slot heeft eiser verwezen naar het reisadvies van het ministerie van Buitenlandse Zaken en diverse rapportages en artikelen over de situatie in Burkina Faso.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Afzien van horen
6. Uit de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2022 volgt dat verweerder ervan kan afzien om de vreemdeling te horen in het kader van de beoordeling van de ontvankelijkheid van een opvolgende asielaanvraag. [4] Verweerder dient in dat geval uitdrukkelijk te motiveren waarom een gehoor in dat geval niet nodig is voor een zorgvuldige voorbereiding van het besluit.
7. Anders dan eiser meent, heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd waarom afgezien is van het horen van eiser. Verweerder heeft in het voornemen overwogen dat eiser een beroep doet op hetzelfde relaas als bij zijn eerste asielaanvraag en dat door eiser niet is aangetoond dat er op dat vlak iets is veranderd waardoor anders gedacht zou moeten worden over de aanvraag. Verweerder heeft hiermee uitdrukkelijk gemotiveerd waarom een gehoor in dit geval niet nodig is voor een zorgvuldige voorbereiding van het besluit en hij heeft dan ook kunnen afzien van horen.
Artikel 15c
8. Uit de uitspraak van de Afdeling van 18 september 2012 [5] volgt dat bij de beoordeling of een vreemdeling in het land, dan wel in het gebied waaruit een vreemdeling afkomstig is, een reëel risico loopt op ernstige schade moet worden uitgegaan van het land dan wel het gebied waar de desbetreffende vreemdeling voorafgaand aan zijn vertrek zijn normale woon- of verblijfplaats had. Bij de beantwoording van de vraag of een plaats kan worden beschouwd als de plaats waar de vreemdeling zijn normale woon- en verblijfplaats had is onder meer van belang hoe lang en onder welke omstandigheden de vreemdeling daar heeft verbleven.
9. Verweerder heeft terecht overwogen dat Ouagadougou kan worden aangemerkt als de normale woon- en verblijfplaats van eiser. Daarbij heeft verweerder terecht van belang geacht dat eiser van zijn 4e tot 21e levensjaar in Ouagadougou heeft gewoond en in 2019, na ontslag uit de militaire dienst, hier wederom heeft verbleven tot aan zijn vertrek naar Europa in juni/juli 2020. Dat eiser ook in Regio Nord heeft gewoond en daar de militaire dienst heeft vervuld, is, gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, niet voldoende om Regio Nord als normale woon- en verblijfsplaats aan te merken.
10. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 15c bij terugkeer naar Ouagadougou. Verweerder heeft in het bestreden besluit terecht overwogen dat uit de door eiser overgelegde stukken niet blijkt dat in Ouagadougou mensenrechtenschendingen of geweldsuitbarstingen plaatsvinden. De door eiser in beroep overgelegde informatie maakt dit niet anders. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat uit deze stukken geen ander beeld van de situatie in Ouagadougou blijkt dan uit de stukken die bij het bestreden besluit zijn betrokken. Ten aanzien van het reisadvies waar eiser naar heeft verwezen, heeft te gelden dat een reisadvies wordt opgesteld in het kader van consulaire hulpverlening en advies aan Nederlandse toeristen en niet voor de beoordeling van asielaanvragen. Bovendien betekent de enkele omstandigheid dat er een negatief reisadvies geldt, niet zonder meer dat er sprake is van een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. [6]
Daarnaast heeft verweerder terecht overwogen dat eiser geen nieuwe feiten en omstandigheden heeft aangedragen die maken dat hij vanwege zijn persoonlijke omstandigheden een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. In de eerste asielprocedure van eiser is niet geloofwaardig geacht dat hij vanwege het ontslag uit de militaire dienst in de negatieve aandacht zou staan. De enkele stelling van eiser dat hij door islamitische strijders als militair zal worden gezien en daardoor een verhoogd risico loopt, heeft verweerder dan ook niet hoeven volgen.
11. Voor zover eiser ter zitting heeft gesteld dat verweerder de humanitaire situatie in Burkina Faso onvoldoende bij de besluitvorming heeft betrokken, overweegt de rechtbank dat eiser geheel niet heeft geconcretiseerd en onderbouwd op welke humanitaire omstandigheden hij doelt. Zijn stelling slaagt reeds daarom niet. De rechtbank ziet gelet daarop dan ook geen aanleiding om in eisers geval de beantwoording van de door deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, gestelde prejudiciële vragen af te wachten.
Conclusie
12. Verweerder heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 24 maart 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 16 juni 2022 (zaaknummer NL22.8878) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 14 juli 2022 (zaaknummer 202203775/1/V2).
6.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden.