AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring en schadevergoeding in vreemdelingenrecht
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59 vanPro de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder stelde dat de maatregel noodzakelijk was vanwege het risico dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Eiser betwistte deze gronden niet, maar voerde aan dat hij bereid en in staat was om zelfstandig naar Duitsland te vertrekken, waar zijn partner werk voor hem had gevonden.
De rechtbank oordeelde dat de enkele niet-onderbouwde stelling van eiser onvoldoende was om het risico op onttrekking te weerleggen. De maatregel van bewaring werd daarom als rechtmatig beoordeeld, ook na ambtshalve toetsing aan de rechtsmatigheidsvoorwaarden en het beginsel van non-refoulement en het belang van het gezin, zoals voorgeschreven door het Hof van Justitie van de Europese Unie.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.10182
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. A. Alam-Khan),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. B. Pattiata).
Procesverloop
Bij besluit van 23 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. P. Frimpong, als waarnemer van zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A.I. Polac. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
De bewaringsmaatregel
1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware grond vermeld dat eiser:
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2. Eiser heeft deze gronden niet betwist. De onbestreden zware gronden en lichte gronden, en de daarop gegeven toelichtingen, doorstaan de ambtshalve toetsing van de rechtbank en kunnen naar het oordeel van de rechtbank het standpunt van verweerder dat er sprake is van een risico op onttrekking aan het toezicht dragen.
Werk in Duitsland
3. Eiser voert aan dat zijn vriendin, met wie hij in Nederland verbleef en samenwerkte, zowel voor hem als voor haarzelf werk heeft gevonden in Duitsland. Eiser stelt dat hij, indien hij in vrijheid wordt gesteld, bereid en in staat is om zelfstandig naar Duitsland te vertrekken, en dat gedwongen uitzetting naar Polen niet nodig is voor zijn verwijdering.
4. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog. De enkele (niet-onderbouwde) stelling dat zijn partner voor hem werk heeft gevonden in Duitsland doet, wat daarvan ook zij, niet af aan het in 2. weergegeven onttrekkingsrisico. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid zich op het standpunt kunnen stellen dat dit risico onverminderd aanwezig is en heeft op die grond aan eiser een maatregel van bewaring mogen opleggen ter fine van zijn gedwongen uitzetting. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
5. De rechtbank overweegt dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
6. Het Hof heeft in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647), voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.