De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling tot verlenging van de voorwaardelijke machtiging om een minderjarige uit huis te plaatsen in een gesloten jeugdhulpaccommodatie. De minderjarige verblijft sinds januari 2025 op een zorginstelling en heeft positieve stappen gezet, zoals het volgen van een mbo-opleiding en het hebben van een bijbaan. Ondanks deze vooruitgang blijft zij kwetsbaar en vertoont risicovol gedrag, waaronder contact met jongens via sociale media en het vertonen van extreem gedrag bij spanningen.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag, maar hebben onvoldoende draagkracht en bieden nog niet de benodigde structuur om een thuisplaatsing mogelijk te maken. De kinderrechter overweegt dat minder ingrijpende maatregelen niet toereikend zijn en dat de gesloten jeugdhulp noodzakelijk is om de ontwikkeling van de minderjarige naar volwassenheid te waarborgen.
De minderjarige verzet zich niet tegen de verlenging en is bereid zich aan de voorwaarden van het hulpverleningsplan te houden. De ouders staan achter het verzoek en willen een zorgvuldige opbouw van de thuisplaatsing. De kinderrechter besluit de voorwaardelijke machtiging te verlengen tot 14 april 2026, het einde van de ondertoezichtstelling, om de positieve ontwikkeling voort te zetten en een terugval te voorkomen.