Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6492

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
11919112
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 WpgArt. 31c WpgArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen onrechtmatig handelen politie bij melding misbruik CargoCard in Rotterdamse haven

Deze civiele zaak betreft de vraag of de politie onrechtmatig heeft gehandeld door het verstrekken van politiegegevens aan Secure Logistics, het bedrijf dat CargoCards uitgeeft voor toegang tot de Rotterdamse haven. Eiser, een voormalig vrachtwagenchauffeur, stelde dat de melding onrechtmatig was en leidde tot onrechtmatige blokkering van zijn CargoCard, waardoor hij zijn werkzaamheden niet kon uitvoeren.

De feiten betreffen een strafrechtelijk onderzoek naar pincodefraude en het onrechtmatig uithalen van een container met behulp van de vrachtwagen van eiser. Hoewel eiser later strafrechtelijk werd vrijgesproken, concludeerde de rechtbank dat er voldoende aanwijzingen waren voor een vermoeden van strafbare feiten, waaronder afwijkende tachograafgegevens, foto’s van een verbroken containerzegel en onlogische routes.

De kantonrechter oordeelde dat de politie de gegevens rechtmatig had verstrekt op grond van artikel 19 van Pro de Wet Politiegegevens, omdat dit noodzakelijk was voor het voorkomen van strafbare feiten en een zwaarwegend algemeen belang diende. De belangenafweging wees uit dat het belang van de politie zwaarder woog dan het belang van eiser bij het behoud van zijn CargoCard. De vordering tot schadevergoeding werd daarom afgewezen.

Uitkomst: De politie heeft niet onrechtmatig gehandeld door het melden van misbruik van de CargoCard, waardoor de vordering tot schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
Zaaknummer: 11919112 \ RL EXPL 25-18735
Vonnis van 25 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. A.M. Tibbe,
tegen
RECHTSPERSOON MET WETTELIJKE TAAK (RWT) POLITIE, BEKEND ALS NATIONALE POLITIE,
gevestigd te 's-Gravenhage,
gedaagde partij,
hierna te noemen: De Politie,
gemachtigde: mr. T. Terpstra-Rezaie.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 18 september 2025;
- de conclusie van antwoord van 10 december 2025;
- de mondelinge behandeling van 23 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Deze zaak speelt zich af in de Rotterdamse haven. De haven heeft regelmatig te kampen met drugs gerelateerde activiteiten. Onder meer worden containers, waarin (buiten medeweten van de eigenaar) verdovende middelen zijn verborgen, afgehaald door chauffeurs die daartoe niet gelegitimeerd zijn. Dit gebeurt onder andere door middel van pincodefraude. Om een container te kunnen uithalen moet de chauffeur over een containernummer en over een bijbehorende pincode beschikken. Bij pincodefraude worden het containernummer en de pincode verkregen via een corrupt contact bij de rederij, expediteur, vervoerder of kant. Met behulp van de pincode kan de chauffeur de container ophalen voordat de legitieme chauffeur verschijnt.
2.2.
Om toegang te verkrijgen tot het haventerrein moet een chauffeur beschikken over een CargoCard. Deze wordt uitgegeven door het bedrijf Secure Logistics.
2.3.
[eiser] werkte tot februari 2024 als vrachtwagenchauffeur bij [bedrijf 1] . Hij voerde onder meer werkzaamheden uit in de haven van Rotterdam en beschikte daarom over een CargoCard.
2.4.
De douane ontving op 8 februari 2024 een melding van het uithalen van een container door middel van pincodefraude door een onbekende chauffeur en heeft een strafrechtelijk onderzoek ingesteld.
2.5.
Uit dat onderzoek het volgende gebleken. Een chauffeur van [bedrijf 2] B.V. wilde op 8 februari 2024 een container uithalen. De chauffeur heeft de dag ervoor de douaneformulieren met containernummer en pincode ontvangen. Toen de chauffeur ter plaatse kwam bleek de betreffende container kort daarvoor te zijn uitgehaald. Op basis van foto’s gemaakt bij de terminal blijkt dat de container is uitgehaald met behulp van de vrachtwagen waarin [eiser] reed. De vrachtwagen is vervolgens staande gehouden. De douane heeft geconstateerd dat:
  • de in de container aanwezige lading mogelijk verschoven was,
  • het nummer op het containerzegel niet overeenkwam met het verstrekte zegelnummer en dat
  • het betreffende zegel ondersteboven bevestigd was, namelijk met de bolling naar beneden terwijl deze bij het verlaten van de terminal met de bolling naar boven was bevestigd.
[eiser] is naar aanleiding van deze bevindingen aangehouden.
2.6.
Op de telefoon van [eiser] stonden foto’s stonden van het zegel en een email over de transportopdracht van de container. Uit de tachograafgegevens bleek dat [eiser] een afwijkende route naar de bestemming heeft gereden en dat hij tussentijds enkele malen heeft stilgestaan. In het politieverhoor heeft [eiser] vragen over de gereden route beantwoord maar zich ten aanzien van de verkregen opdracht op zijn zwijgrecht beroepen.
2.7.
[eiser] heeft na de aanhouding ontslag genomen bij [bedrijf 1] . Op 6 mei 2024 is hij in dienst getreden bij [bedrijf 3] waar zijn werkzaamheden ook uit het uithalen van containers in de haven bestonden.
2.8.
Op 10 juni 2024 heeft de Zeehavenpolitie naar aanleiding van het onderzoek bij Secure Logistics melding gemaakt van misbruik van de CargoCard door [eiser] en heeft maatregelen aanbevolen.
2.9.
Op 10 juli 2024 heeft Secure Logistics de CargoCard van [eiser] geblokkeerd. Hierdoor had [eiser] geen toegang meer tot het haventerrein en kon hij de werkzaamheden waarvoor hij door [bedrijf 3] was aangenomen niet meer verrichten. [bedrijf 3] heeft hem vervolgens uitgeleend aan een ander transportbedrijf, [bedrijf 4] , waarvoor hij werkzaamheden buiten de haven heeft verricht. Op 27 november 2024 is hij op staande voet ontslagen.
2.10.
[eiser] is strafrechtelijk vervolgd voor diefstal van een container. Bij vonnis van 31 oktober 2024 is hij vrijgesproken. Na de vrijspraak heeft Secure Logistics zijn CargoCard gedeblokkeerd.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van De Politie tot betaling van een schadevergoeding van € 17.006,97 en van € 1.143,53 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente en de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. De Politie heeft jegens [eiser] onrechtmatig gehandeld door het sturen van de meldingsbrief aan Secure Logistics. De melding is in strijd met artikel 19 van Pro de Wet Politiegegevens (Wpg). De brief van 10 juni 2024 vermeldt onjuiste informatie, de melding is niet compleet en er is niet voldaan aan de eisen van een zwaarwegend belang, noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit. De Politie heeft niet voortvarend gehandeld en heeft het gelijkheidsbeginsel geschonden.
[eiser] heeft door het onrechtmatige handelen van De Politie schade geleden. Als de melding niet gedaan zou zijn, zou de CargoCard niet zou zijn geblokkeerd, en zou [eiser] zijn werk gewoon hebben kunnen voortzetten. De schade bedraagt € 17.006,97 bestaande uit € 12.655,53 aan inkomensschade, € 1.200,00 doordat hij het huurcontract dat hij had gesloten niet kon nakomen, € 2.500,00 aan immateriële schade en € 651,44 aan wettelijke rente. De onrechtmatige daad is De Politie toe te rekenen, omdat zij niet volgens de voorschriften heeft gehandeld, wat verwijtbaar is. Op grond van artikel 31c Wpg is De Politie aansprakelijk is voor de schade die uit het niet-nakomen van de Wpg voortvloeit.
3.3.
De Politie concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure en voert het volgende aan. Zij betwist dat zij onrechtmatig zou hebben gehandeld. Artikel 19 van Pro de Wpg bepaalt dat politiegegevens verstrekt mogen worden voor een aantal genoemde doeleinden, voor zover dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang en dit in overeenstemming gebeurt met het bevoegd gezag. Aan de voorwaarden uit artikel 19 Wpg Pro is voldaan. De Politie heeft de gegevens verstrekt om verdere strafbare feiten te voorkomen. Daarmee is voldaan het in de wet genoemde doel (het opsporen en voorkomen van strafbare feiten). Het zwaarwegende algemene belang is gelegen het tegengaan van ondermijnende activiteiten en drugshandel via de haven. Dit belang weegt zwaarder dan de persoonlijke levenssfeer van [eiser] . De Wpg-verstrekking is daarom rechtmatig geweest. Bovendien betwist De Politie het causale verband tussen de gestelde schade en de melding.

4.De beoordeling

De toets aan artikel 19 Wpg Pro
4.1.
Op grond van artikel 19 Wpg Pro kan De Politie gegevens verstrekken voor zover dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang voor de volgende doeleinden:
a. Het voorkomen en opsporen van strafbare feiten
b. Het handhaven van de openbare orde
c. Het verlenen van hulp aan hen dat nodig hebben
d. Het uitoefenen van toezicht op het naleven van de regelgeving.
Een voorgenomen verstrekking van de gegevens moet ook worden getoetst aan de noodzakelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit.
4.2.
De kantonrechter is van oordeel dat De Politie niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] om de volgende reden.
Op grond van het strafrechtelijk onderzoek is voldoende komen vast te staan dat [eiser] een container heeft uitgehaald met behulp van onrechtmatig verkregen informatie. De pincode en het zegelnummer waren immers bestemd voor een ander transportbedrijf en onduidelijk is gebleven hoe [eiser] hieraan is gekomen. In elk geval staat vast dat de toenmalige werkgever van [eiser] geen opdracht van de eigenaar had om de container uit te halen.
Daarnaast volgt uit het strafdossier dat het zegel dat op de container zat is verbroken en is vervangen door een ander zegel met een ander nummer dat bovendien ondersteboven zat. De container is na het uithalen dus kennelijk geopend. Dat de foto’s van het zegel die zich in het strafdossier bevinden niet heel scherp zijn, zoals [eiser] heeft aangevoerd, doet aan die bevindingen op zichzelf niet af. Het gaat hier immers om bevindingen in een ambtsedig opgesteld proces-verbaal waarvan in beginsel vanuit mag worden gegaan.
Blijkens het strafdossier zijn er scans gemaakt van de lading bij het verlaten van de terminal en bij aanhouding. De vergelijking tussen deze scans leidde tot het vermoeden dat de lading in de container is verplaatst, hetgeen een aanknopingspunt is voor de veronderstelling dat er in de container is gezocht naar goederen. [eiser] stelt dat het verschuiven van de lading kan zijn veroorzaakt doordat hij onderweg hard heeft moeten remmen. De kantonrechter overweegt daarover dat dit op zichzelf mogelijk is (hoewel uit de tachograafgegevens niet blijkt dat [eiser] hard heeft geremd) maar dat een ander scenario ook mogelijk is zodat het verschil tussen de scans voor en na het uithalen wel bijdraagt aan de gerezen verdenking.
Verder is relevant dat de route die [eiser] blijkens de tachograafgegevens heeft gereden afwijkt van hetgeen hij daarover heeft verklaard. De route is door De Politie ook onlogisch genoemd omdat [eiser] van uit de haven naar Dordrecht heeft gereden, daar 13 minuten heeft stilgestaan terwijl de lading moest worden gelost in Rotterdam. [eiser] heeft voor die afwijkende route geen overtuigende verklaring kunnen gegeven.
Daar komt ook bij dat [eiser] onderweg meldingen kreeg op zijn telefoon van ene [naam] die hem appte dat hij meteen moest opnemen. Ook hierover heeft [eiser] geen verklaring gegeven.
De kantonrechter is van oordeel dat deze bevindingen voldoende zijn voor het vermoeden van strafbare gedragingen. Daaraan doet niet af dat [eiser] later is vrijgesproken.
4.3.
Dit vermoeden heeft tot gevolg dat is voldaan aan het doel van de melding, namelijk het voorkomen dat [eiser] de activiteiten waarvan hij werd verdacht zou kunnen voortzetten. Daaraan doet niet af dat er enige tijd is verstreken tussen de aanhouding en de melding. De Politie heeft voldoende onderbouwd waardoor dit tijdsverloop is veroorzaakt, namelijk dat dergelijke meldingen niet plaatsvinden gedurende het onderzoek omdat voorkomen moet worden dat zij de onderzoeksmogelijkheden verstoren en dat na afloop van het onderzoek interne afstemming moet plaatsvinden om tot een gewogen beslissing te komen. Overigens heeft het tijdsverloop in het voordeel van [eiser] gewerkt. De periode waarin zijn CargoCard geblokkeerd is geweest zou immers langer hebben geduurd als zijn gegevens eerder aan Secure Logistics waren gemeld.
4.4.
Gelet op de ernst van de verdenking en het feit dat [eiser] geen openheid van zaken heeft willen geven, hij heeft immers niet willen verklaren over hoe en van wie hij de opdracht had verkregen, is eveneens voldaan aan het vereiste dat sprake moet zijn van een zwaarwegend belang.
Belangenafweging
4.5.
Het belang van De Politie om te voorkomen dat [eiser] zijn activiteiten in de haven zou kunnen herhalen dient naar het oordeel van de kantonrechter zwaarder te wegen dan het belang van [eiser] bij het behoud van zijn CargoCard. Het blokkeren van zijn CargoCard leidde er weliswaar toe dat hij geen werkzaamheden meer in de haven kon doen maar er waren andere werkzaamheden voor hem beschikbaar. Dat die werkzaamheden uiteindelijk zijn geëindigd hield geen verband met het niet beschikken over de CargoCard maar over de manier waarop [eiser] zijn werkzaamheden vervulde. Het bedrijf dat hem inleende was niet tevreden over zijn houding waarna hij is ontslagen. Deze gevolgen komen niet voor rekening van De Politie en spelen bij de belangenafweging dan ook geen rol. [eiser] had de gevolgen wellicht kunnen beperken als hij openheid van zaken had gegeven over de opdracht. Uiteraard had hij in het strafrechtelijk traject het recht om zich te beroepen op zijn zwijgrecht maar daarmee heeft hij zichzelf de mogelijkheid om zich in een eerder stadium vrij te pleiten ontnomen hetgeen voor zijn risico komt.
Proportionaliteit, subsidiariteit en gelijkheidsbeginsel
4.6.
De melding is gelet op de ernst van verdenking voldoende proportioneel. Niet gebleken is dat De Politie had kunnen volstaan met een minder ingrijpende maatregel dat de melding bij Secure Logitics. De melding voldoet dan ook aan het subsidiariteitsbeginsel. [eiser] heeft nog aangevoerd dat De Politie niet in overeenstemming met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld omdat ten aanzien van een andere verdachte, in een vergelijkbare situatie, geen melding bij Secure Logistics is gedaan terwijl die verdachte wel strafrechtelijk is veroordeeld. Dit beroep faalt alleen al omdat concrete gegevens (naam, zaaknummer) ontbreken zodat de juistheid van het gestelde niet kan worden gecontroleerd.
Conclusie
4.7.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de melding bij Secure Logistics voldoet aan de wettelijke vereisten en dus niet onrechtmatig is. De Politie is dan ook niet aansprakelijk voor de door [eiser] geleden schade. De vorderingen van [eiser] zullen daarom worden afgewezen.
Proceskosten
4.8.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van De Politie worden begroot op:
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.008,00
4.9.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.008,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D. Jongsma en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.