ECLI:NL:RBDHA:2026:6467
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens ernstige wanprestatie door niet-naleving re-integratieverplichtingen
De werknemer trad in 1992 in dienst bij het ministerie van OCW en werd in oktober 2024 arbeidsongeschikt. Vanaf december 2024 startte zij met re-integratie, met aangepaste werkzaamheden vanaf mei 2025. Vervolgens verscheen zij niet meer op het werk en was zij onbereikbaar ondanks herhaalde pogingen van de werkgever om contact te leggen, waaronder huisbezoeken en communicatie met haar vader.
De werkgever staakte de salarisbetaling en verzocht de kantonrechter om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens ernstige wanprestatie, subsidiair wegens ernstig verwijtbaar handelen en andere gronden. De werknemer verscheen niet in de procedure en voerde geen verweer.
De kantonrechter oordeelde dat sprake was van ernstige wanprestatie omdat de werknemer zonder geldige reden niet aan haar re-integratieverplichtingen voldeed en niet reageerde op verzoeken. Het opzegverbod tijdens ziekte was niet van toepassing omdat de werknemer schriftelijk was gemaand en de loonbetaling was gestaakt.
De arbeidsovereenkomst werd ontbonden per 1 april 2026, zonder rekening te houden met de opzegtermijn. De werknemer had geen recht op transitievergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen. Tevens werd zij veroordeeld in de proceskosten van €1.144,00 plus eventuele betekenkosten.
Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 april 2026 wegens ernstige wanprestatie zonder recht op transitievergoeding.