Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6467

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
12025849 \ RP VERZ 25-51054
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BWArt. 7:669 lid 3 sub e BWArt. 7:669 lid 3 sub g BWArt. 7:669 lid 3 sub i BWArt. 7:670a lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst wegens ernstige wanprestatie door niet-naleving re-integratieverplichtingen

De werknemer trad in 1992 in dienst bij het ministerie van OCW en werd in oktober 2024 arbeidsongeschikt. Vanaf december 2024 startte zij met re-integratie, met aangepaste werkzaamheden vanaf mei 2025. Vervolgens verscheen zij niet meer op het werk en was zij onbereikbaar ondanks herhaalde pogingen van de werkgever om contact te leggen, waaronder huisbezoeken en communicatie met haar vader.

De werkgever staakte de salarisbetaling en verzocht de kantonrechter om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens ernstige wanprestatie, subsidiair wegens ernstig verwijtbaar handelen en andere gronden. De werknemer verscheen niet in de procedure en voerde geen verweer.

De kantonrechter oordeelde dat sprake was van ernstige wanprestatie omdat de werknemer zonder geldige reden niet aan haar re-integratieverplichtingen voldeed en niet reageerde op verzoeken. Het opzegverbod tijdens ziekte was niet van toepassing omdat de werknemer schriftelijk was gemaand en de loonbetaling was gestaakt.

De arbeidsovereenkomst werd ontbonden per 1 april 2026, zonder rekening te houden met de opzegtermijn. De werknemer had geen recht op transitievergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen. Tevens werd zij veroordeeld in de proceskosten van €1.144,00 plus eventuele betekenkosten.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 april 2026 wegens ernstige wanprestatie zonder recht op transitievergoeding.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
JB/c
Zaaknummer: 12025849 \ RP VERZ 25-51054
Beschikking van 25 maart 2026
in de zaak van
DE STAAT DER NEDERLANDEN (HET MINISTERIE VAN ONDERWIJS CULTUUR EN WETENSCHAP (OCW),
te 's-Gravenhage,
verzoekende partij,
hierna te noemen: OCW,
gemachtigde: mr. W.H.C. van Eck,
tegen
[verweerster],
te [woonplaats],
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerster].

1.De procedure

1.1.
De kantonrechter heeft kennisgenomen van:
- het verzoekschrift van OCW, ingekomen ter griffie op 18 december 2025.
1.2.
Op 11 maart 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Op de mondelinge behandeling is voor OCW verschenen [naam 1] en [naam 2], bijgestaan door mr. W.H.C. van Eck. Hoewel zij ook bij exploot is opgeroepen, is [verweerster] niet verschenen op de mondelinge behandeling. Van wat ter zitting is besproken zijn door de griffier aantekeningen gemaakt, die zich in het griffiedossier bevinden. Ten slotte is de datum van de beschikking bepaald op vandaag.

2.Waar gaat deze zaak over?

2.1.
[verweerster] is op 10 maart 1992 in dienst getreden bij OCW. Zij vervult daar thans de functie van [functienaam]. Op 16 oktober 2024 is [verweerster] arbeidsongeschikt geworden. Per 16 december 2024 is [verweerster] gaan re-integreren, waarna de afspraak is gemaakt dat [verweerster] vanaf 19 mei 2025 in het kader van re-integratie aangepaste werkzaamheden zou verrichten. Vervolgens, toen [verweerster] ineens niet meer op het werk verscheen, heeft OCW diverse keren en op verschillende manieren geprobeerd in contact te komen met [verweerster]. Dat is niet, althans nauwelijks, gelukt. Bij brief van 28 juli 2025 heeft OCW [verweerster] medegedeeld dat de betaling van het salaris wordt gestaakt, omdat niet aan de wettelijke verplichtingen voor loondoorbetaling tijdens ziekte werd voldaan en geen contact mogelijk was. In deze brief is [verweerster] opgedragen om op 31 juli 2025 aanwezig te zijn voor een gesprek met haar (vervangend) leidinggevende. Ondanks dat deze brief per e-mail, per whatsapp en per aangetekende brief naar [verweerster] is verzonden, is zij niet verschenen. Ook nadien is [verweerster] ondanks herhaalde inspanningen van OCW, waaronder huisbezoeken en contact met de vader van [verweerster], onbereikbaar gebleven. OCW heeft bij het UWV een aanvraag ingediend voor een deskundigenoordeel, waarna het UWV aangaf dat een deskundigenoordeel niet mogelijk was omdat [verweerster] niet had gereageerd op de uitnodiging om een afspraak bij het UWV te maken of terug te bellen.
2.2.
OCW verzoekt de kantonrechter de arbeidsovereenkomst te ontbinden, primair wegens wanprestatie ex artikel 6:265 van Pro het Burgerlijk wetboek (BW) jo. 7:686 BW, subsidiair wegens (ernstig) verwijtbaar handelen ex artikel 7:669 lid 3 sub e BW Pro, meer subsidiair wegens het bestaan van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie ex artikel 7:669 lid 3 sub g BW Pro en uiterst subsidiair op basis van de cumulatiegrond ex artikel 7:669 lid 3 sub i BW Pro. Verder verzoekt OCW de kantonrechter om bij het bepalen van de einddatum geen rekening te houden met de opzegtermijn van [verweerster] nu de ontbinding het gevolg is van wanprestatie danwel ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerster]. Tot slot verzoekt OCW te bepalen dat [verweerster] geen recht heeft op transitievergoeding en haar te veroordelen in de proceskosten
2.3.
[verweerster] is niet in de procedure verschenen en heeft dus geen verweer gevoerd.

3.Wat vindt de kantonrechter?

3.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. Beoordeeld moet worden of sprake is van een wanprestatie van [verweerster] die een ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van 7:686 BW (in verbinding met artikel 6:265 BW Pro) rechtvaardigt. Ontbinding van de arbeidsovereenkomst op deze grondslag alleen aan de orde in het geval van een ernstige wanprestatie. Het moet dan gaan om een tekortkoming die zodanig ernstig is dat ze aanleunt tegen een dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 BW Pro. De werkgever moet kunnen aantonen dat de werknemer structureel of in ernstige mate niet voldoet aan zijn verplichtingen die uit de arbeidsovereenkomst voortvloeien.
3.2.
Naar het oordeel van de kantonrechter is sprake van ernstige wanprestatie. Uit de processtukken is voldoende gebleken dat [verweerster] van het ene op het andere moment niet meer op het werk is verschenen en zonder deugdelijke grond geen gehoor heeft gegeven aan herhaalde verzoeken van OCW om haar re-integratieverplichtingen na te komen. Kenmerkend is dat [verweerster] op afspraken niet komt opdagen en niet reageert op de vele verzoeken van OCW, zodat er geen tot nauwelijks contact mogelijk is. Ook in deze procedure is [verweerster] zonder verder bericht niet verschenen.
De arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden
3.3.
Het opzegverbod tijdens ziekte staat niet aan ontbinding in de weg, gelet op het bepaalde in artikel 7:670a lid 1 BW. In dit artikellid is (kort gezegd) bepaald, dat het opzegverbod tijdens ziekte niet van toepassing is indien de werkneemster zonder deugdelijke grond de re-integratieverplichtingen weigert na te komen en de werkgever de werkneemster schriftelijk tot nakoming heeft gemaand of om die reden de loonbetaling heeft gestaakt. Aan die vereisten is in het onderhavige geval voldaan. Van de toepasselijkheid van andere opzegverboden is niet gebleken.
3.4.
Doordat sprake is van ernstige wanprestatie, kan van OCW niet worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Herplaatsing ligt dan ook niet in de rede (artikel 7:669 lid 1 BW Pro). Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst zal worden ontbonden.
De arbeidsovereenkomst eindigt per 1 april 2026
3.5.
De vraag die vervolgens voorligt, is per welke datum de arbeidsovereenkomst dient te worden ontbonden. OCW heeft verzocht de arbeidsovereenkomst op de kortst mogelijke termijn te ontbinden en geen rekening te houden met de opzegtermijn. Het einde van de arbeidsovereenkomst zal - ook om praktische redenen - worden bepaald op 1 april 2026.
[verweerster] heeft geen recht op transitievergoeding
3.6.
Tot slot dient beoordeeld te worden of OCW een transitievergoeding aan [verweerster] is verschuldigd. OCW heeft aangevoerd dat daar in de gegeven omstandigheden geen aanleiding voor is. De kantonrechter is het daarmee eens en oordeelt dus dat [verweerster] geen recht heeft op een transitievergoeding, nu er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van de zijde van [verweerster] (artikel 7:673 lid 7 sub c BW Pro).
Proceskosten
3.7.
De proceskosten komen voor rekening van [verweerster], omdat [verweerster] ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van OCW worden begroot op € 1.144,00 (€ 135,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 april 2026;
4.2.
verklaart voor recht dat [verweerster] geen recht heeft op een transitievergoeding;
4.3.
veroordeelt [verweerster] in de proceskosten van € 1.144,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerster] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;
4.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.C. Sluymer en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.