ECLI:NL:RBDHA:2026:6441
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht
Eiser, een Marokkaanse nationaliteit dragende vreemdeling, is sinds 9 januari 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep beoordeeld vanaf het moment van het sluiten van het vorige onderzoek op 21 januari 2026. Eiser stelde dat de maximale duur van de bewaring was overschreden, mede op basis van een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie. De rechtbank concludeerde echter dat de totale bewaringstermijnen de maximale termijn van zes maanden zonder verlengingsbesluit niet overschrijden.
Verder voerde eiser aan dat verweerder onvoldoende voortvarend zou werken aan zijn uitzetting. De rechtbank oordeelde dat verweerder wel degelijk voortvarend heeft gehandeld, onder meer door schriftelijke rappels aan de Marokkaanse autoriteiten en het voeren van een vertrekgesprek. De niet-coöperatieve houding van eiser en het ontbreken van eigen stappen om vertrek te bespoedigen, wegen mee in het oordeel.
De rechtbank ziet geen onrechtmatigheid in de voortzetting van de bewaring en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.