ECLI:NL:RBDHA:2026:6437

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
NL25.38538
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMWI 2023/7WI 2024/6
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing opvolgende asielaanvraag wegens onvoldoende onderbouwing vrees eerwraak

Eiser, een Iraakse nationaliteit, heeft meerdere asielaanvragen ingediend sinds 2008, waarbij hij telkens vrees voor eerwraak aanvoerde vanwege een relatie met een getrouwde vrouw. Na eerdere afwijzingen en vernietigingen is zijn meest recente aanvraag van maart 2023 afgewezen als kennelijk ongegrond.

De rechtbank beoordeelt dat eiser onvoldoende objectief bewijs heeft geleverd om zijn vrees voor eerwraak aannemelijk te maken. De steunverklaringen van familieleden, buurtbewoners en een mukhtar zijn summier, weinig concreet en subjectief van aard. Ook het argument dat hij pas in 2023 de aanvraag deed, terwijl hij eerder over documenten beschikte, weegt mee.

Verder oordeelt de rechtbank dat verweerder het juiste toetsingskader heeft gehanteerd door de nieuwe elementen te accepteren en deze vervolgens inhoudelijk te beoordelen. De aangevoerde verwestering van eiser en de risico’s daarvan worden niet overtuigend geacht.

Het opgelegde inreisverbod wordt gehandhaafd, waarbij de rechtbank oordeelt dat het beroep op artikel 8 EVRM Pro onvoldoende is onderbouwd. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en handhaaft de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag wegens onvoldoende onderbouwing van de vrees voor eerwraak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.38538

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. Y. Thole).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een opvolgende asielaanvraag van eiser. Eiser is het met die afwijzing niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1983 en heeft de Iraakse nationaliteit. Hij heeft op 23 mei 2008 zijn eerste asielaanvraag ingediend, met als asielmotief dat hij in Irak is bedreigd en dat zijn huis is beschoten. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen, onder meer omdat eiser zijn identiteit en nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt. Daarbij heeft verweerder ook het asielrelaas ongeloofwaardig geacht. Dit besluit staat, na procedures in beroep [1] en hoger beroep, in rechte vast.
2. Op 6 april 2012 heeft eiser een opvolgende asielaanvraag ingediend. Aan deze aanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij in de eerste procedure onjuiste gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit en dat hij een onjuist asielrelaas heeft verteld. Hij heeft bij zijn tweede asielaanvraag als asielmotief gegeven dat hij in Irak in de problemen is gekomen vanwege een relatie die hij in 2003 had met een getrouwde vrouw. Hij vreest voor eerwraak bij terugkeer naar Irak. Ook deze aanvraag is afgewezen en ook dit besluit staat in rechte vast na procedures in beroep [2] en hoger beroep.
3. Op 7 december 2017 volgde de derde asielaanvraag. Eiser heeft nieuwe documenten ingebracht, ter onderbouwing van het eerder naar voren gebrachte asielrelaas. Op 12 maart 2018 is hierop een afwijzende beschikking genomen. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft deze beschikking in haar uitspraak van 18 april 2018 [3] vernietigd. Daarop heeft verweerder op 5 november 2018 een nieuwe afwijzende beschikking uitgebracht. Beroep tegen die beschikking is ongegrond verklaard. [4] Het besluit van 5 november 2018 is ook onherroepelijk.
4. Op 20 maart 2023 heeft eiser nogmaals een opvolgende asielaanvraag ingediend. Eiser heeft verklaard dat hij na de uitspraak van 5 december 2018 op zoek is gegaan naar documenten en bewijsstukken om zijn asielrelaas te onderbouwen. Daardoor kon hij pas in 2023 een nieuwe aanvraag doen.
5. Verweerder heeft de aanvraag van 20 maart 2023 met het bestreden besluit van 14 augustus 2025 in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
6. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
7. De rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
8. De asielaanvraag van 20 maart 2023 borduurt voort op de eerdere asielaanvragen. Eiser heeft als asielmotief naar voren gebracht dat hij in 2003 een relatie heeft gehad met een getrouwde vrouw. Haar man is erachter gekomen en eiser is mishandeld, vermoedelijk door de broers van deze vrouw. Eiser is vervolgens naar Kirkuk gevlucht en daar heeft hij tot 2008 gewoond. In 2008 zag eiser de broers van de vrouw in Kirkuk. Eiser had al gehoord dat zij naar Kirkuk waren gekomen om eiser te vermoorden. Dat was de aanleiding voor eiser om Irak te verlaten.
9. Eiser heeft bij zijn opvolgende asielaanvraag als nieuwe stukken ingebracht: een steunverklaring van de mukhtar en verklaringen van familieleden en buurtbewoners. Eiser heeft in zijn aanvraag toegelicht dat uit de verklaringen blijkt dat hij in Irak nog altijd door de familie van de vrouw wordt gezocht.
Het bestreden besluit
10. Verweerder is in het bestreden besluit uitgegaan van twee asielmotieven:
 identiteit, nationaliteit en herkomst,
 dat eiser nog steeds wordt gezocht door de familie van de vrouw vanwege eerwraak.
11. De identiteit, nationaliteit en herkomst vindt verweerder geloofwaardig. Verweerder overweegt echter dat eiser zijn vrees voor eerwraak (nog steeds) niet heeft onderbouwd met objectieve documenten. De overgelegde steunverklaringen vindt verweerder niet overtuigend. Verweerder heeft daarbij in aanmerking genomen dat de verklaringen van familieleden afkomstig zijn van subjectieve bronnen. Eiser wordt in het bestreden besluit ook tegengeworpen dat hij pas in maart 2023 zijn opvolgende aanvraag heeft ingediend, terwijl hij al eerder in het bezit was van de documenten. Verweerder concludeert daarom dat het asielmotief van eiser niet (alsnog) geloofwaardig is.
Het toetsingskader
12. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat verweerder bij de beoordeling van zijn opvolgende aanvraag een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd. Volgens eiser heeft verweerder zijn opvolgende aanvraag beoordeeld volgens WI [5] 2024/6 (de werkinstructie voor geloofwaardigheidsbeoordelingen) en niet volgens WI 2023/7 (de werkinstructie voor opvolgende aanvragen). De rechtbank is van oordeel dat verweerder de correcte procedure heeft gevolgd. Hij heeft eerst (overeenkomstig WI 2023/7 en het daarin opgenomen stroomschema) beoordeeld of de opvolgende aanvraag nieuwe elementen of bevindingen bevat. Verweerder heeft de nieuwe bewijsstukken geaccepteerd als nieuwe elementen en heeft de opvolgende aanvraag ontvankelijk geacht. Vervolgens heeft verweerder de nieuwe elementen inhoudelijk beoordeeld aan de hand van WI 2024/6. Deze manier van beoordelen is in lijn met het door eiser aangehaalde arrest LH [6] .
De geloofwaardigheid
13. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat de afgegeven steunverklaringen weliswaar subjectief zijn, maar afkomstig zijn van een primaire bron en dat deze duidelijk en feitelijk zijn. Eiser heeft ook verwezen naar diverse algemene bronnen waaruit informatie blijkt over eerwraak in Irak. Eiser heeft ter zitting toegelicht dat de verklaringen in combinatie met de algemene landeninformatie onderbouwen dat eerwraak niet verjaart en dat hij nog steeds wordt gezocht door de familie van de vrouw met wie hij een buitenechtelijke relatie had. De rechtbank volgt eiser daarin niet. Voor zover de informatie uit de algemene bronnen iets zegt over eerwraak in Irak, onderbouwt deze informatie het persoonlijk relaas van eiser en zijn risico om slachtoffer te worden van eerwraak bij terugkeer in Irak niet, ook niet in combinatie met de overgelegde steunverklaringen. De rechtbank volgt verweerder dat de overgelegde verklaringen van familieleden, buurtbewoners en van de mukhtar summier van inhoud zijn en weinig concreet. Verweerder heeft - bijvoorbeeld - terecht overwogen dat uit de verklaringen, dat het huis van eisers ouders in de gaten wordt gehouden, niet blijkt dat dit met eiser te maken heeft. Verweerder heeft ook terecht overwogen dat details in de verklaringen ontbreken en dat is volstaan met korte en algemene bewoordingen. Bovendien heeft verweerder terecht overwogen dat de verklaringen afkomstig zijn van subjectieve bronnen. Verweerder heeft om die reden aan de overgelegde verklaringen niet de waarde hoeven toekennen die eiser daaraan toegekend wenst te zien. Het besluit om het asielmotief van eiser niet (alsnog) geloofwaardig te achten, is door verweerder voldoende deugdelijk gemotiveerd.

Verwestering

14. Eiser heeft in beroep gewezen op zijn verklaringen bij het gehoor over zijn verwestering en de risico’s die hij daardoor loopt op verstoting bij terugkeer in Irak. Verweerder heeft daarover niet ten onrechte overwogen dat eiser niet overtuigend heeft verklaard over zijn verwestering en dat hij daarmee dan ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet kan terugkeren naar Irak. Verweerder heeft niet ten onrechte overwogen dat hij het dragen van een korte broek, het drinken van alcohol en het niet bidden niet ziet als een verloochening van de islamitische identiteit. Verweerder heeft daarbij ook kunnen overwegen dat van eiser mag worden verwacht dat hij zich bij terugkeer in Irak weer conformeert aan de daar geldende culturele normen en waarden. Ter zitting heeft verweerder daarbij nog opgemerkt dat dit anders is als er sprake is van een bekering vanuit religieuze overtuiging, maar dat daarvan in eisers geval geen sprake is. In dat verband heeft verweerder gewezen op de eisers verklaring dat hij gelooft in god en dat hij zich nog altijd identificeert als moslim [7] .
Inreisverbod
15. In het bestreden besluit is opgenomen dat aan eiser op 23 juli 2012 een inreisverbod van twee jaar is opgelegd. Vermeld is ook dat dit inreisverbod nog altijd geldt en dat het verbod ingaat zodra eiser Europa verlaat. Eiser heeft in zijn zienswijze op het voornemen aangevoerd dat het in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM [8] om aan hem een inreisverbod op te leggen, omdat hij al meer dan 16 jaar in Nederland verblijft. Verweerder heeft dit opgevat als een verzoek om opheffing van het inreisverbod, en heeft in het bestreden besluit toegelicht waarom hij geen reden ziet om tot opheffing van het opgelegde inreisverbod over te gaan. Verweerder heeft toegelicht dat eiser zijn stelling, dat hij een vriendenkring in Nederland heeft opgebouwd, niet heeft onderbouwd. Verweerder heeft verder overwogen dat het voor eiser ook mogelijk is om deze contacten op afstand te onderhouden. Tot slot heeft verweerder overwogen dat het hebben van werk en het bijdragen aan de maatschappij niet worden gezien als een onderdeel van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. De rechtbank acht de gegeven motivering van verweerder toereikend. Eiser heeft zijn beroep op artikel 8 van Pro het EVRM in zijn beroepsgronden niet nader onderbouwd. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid kunnen afzien van opheffing van het inreisverbod.

Conclusie en gevolgen

16. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond.
17. Voor een vergoeding van de proceskosten is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 23 maart 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van N.A. D’Hoore, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Uitspraak bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Voetnoten

1.Zaaknummer AWB 09/12393.
2.Zaaknummers AWB 12/26499 en AWB 12/26497.
3.ECLI:NLRBDHA:2018:5226.
4.Uitspraak zittingsplaats ’s-Gravenhage van 5 december 2018, zaaknummer NL18.21099.
5.Werkinstructie.
6.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 juni 2021, C-921/19, ECLI:EU:C:2021:478.
7.Zie rapport gehoor opvolgende aanvraag 17 juni 2025, pagina 13.
8.Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.