ECLI:NL:RBDHA:2026:6414

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
NL26.13420
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwDublinverordeningVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel bewaring vreemdeling wegens risico op onderduiken afgewezen

De minister van Asiel en Migratie legde op 9 maart 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser, een Marokkaanse vreemdeling, op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet. De maatregel werd genomen vanwege een concreet aanknopingspunt voor overdracht aan Oostenrijk volgens de Dublinverordening en een significant risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken.

Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel, dat tevens als verzoek om schadevergoeding werd aangemerkt. De rechtbank behandelde het beroep op 20 maart 2026 via telehoren. De rechtbank oordeelde dat eiser onder de categorie vreemdelingen valt waarvoor bewaring is toegestaan en dat de zware gronden (onrechtmatige binnenkomst, onttrekken aan toezicht, niet meewerken aan overdracht) feitelijk juist zijn. Ook de lichte gronden (geen vaste woon- of verblijfplaats, onvoldoende middelen) zijn niet betwist.

De rechtbank vond dat een lichter middel dan bewaring niet doeltreffend zou zijn om de overdracht te verzekeren. Er waren geen persoonlijke of medische omstandigheden die een lichtere maatregel rechtvaardigden. De minister handelde voortvarend en er was zicht op overdracht. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.13420

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Marokkaanse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. M. Pater),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. I. van Esch).

Procesverloop

1. Bij besluit van 9 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw [1] opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2026, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam. Eiser heeft zich op de rechtbank in Groningen laten bijstaan door zijn gemachtigde. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Overwegingen

2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser:
(
zware gronden)
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
(
lichte gronden)
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
3. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
Voortraject
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
Grondslag
5. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59a, van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Er bestaat een concreet aanknopingspunt voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening. Op 7 januari 2026 heeft eiser een overdrachtsbesluit gekregen, omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag.
Gronden
6. De rechtbank stelt vast dat uit de uitspraak van de Afdeling [2] van 25 maart 2020 [3] volgt dat, om de gronden 3a, 3b en 3k aan de maatregel ten grondslag te kunnen leggen, het voldoende is dat deze gronden feitelijk juist zijn. De rechtbank oordeelt dat de grond 3a feitelijk juist is, omdat eiser bij binnenkomst in Nederland niet beschikte over de juiste reisdocumenten en daarmee ook niet over een visum voor het Schengengebied. Dat een vreemdeling als asielzoeker inreist, doet aan de feitelijke juistheid van deze zware grond niet af. Ook de grond 3b is feitelijk juist, omdat eiser op 5 maart 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. De enkele ontkenning door eiser is onvoldoende voor een ander oordeel. De zware grond 3k is eveneens feitelijk juist, omdat eiser op 7 januari 2026 een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en hij, door niet beschikbaar te zijn op de VTL [4] in Ter Apel, niet heeft meegewerkt aan de overdracht aan Oostenrijk. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de hiervoor besproken zware gronden en de niet betwiste lichte gronden, in samenhang gezien en gelet op de motivering in de maatregel, voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Ook bestaat voldoende grond voor het standpunt van de minister om een significant risico op onderduiken aan te nemen.
Lichter middel
7. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, is de minister er terecht van uitgegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. Een lichter middel volstaat daarom niet om de overdracht van eiser te verzekeren. Dat eiser heeft verklaard naar Oostenrijk overgedragen te willen worden doet hier niet aan af.
7.1.
Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke dan wel medische omstandigheden van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken en waarin de minister aanleiding had moeten zien om aan eiser een lichter middel dan de bewaring op te leggen.
Voortvarendheid en zicht op overdracht
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser en dat zicht op overdracht naar Oostenrijk niet ontbreekt. Zo heeft op 13 maart 2026 een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden, waarbij hem is medegedeeld dat de vluchtgegevens op korte termijn worden verwacht.

Conclusie

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3.Zie de uitspraak van 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
4.Verscherpt toezichtslocatie.