ECLI:NL:RBDHA:2026:6412
Rechtbank Den Haag
- Bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag Koerdische Turkse vreemdeling wegens onvoldoende politieke vervolgingsgrond
Eiser, van Turkse nationaliteit en behorend tot de Koerdische bevolkingsgroep, verzocht om een verblijfsvergunning asiel. Hij stelde discriminatie en incidenten te hebben ondervonden in Turkije, waaronder huiszoekingen, politieoptreden en geweld tijdens militaire dienst en culturele vieringen. De minister wees de aanvraag af wegens onvoldoende bewijs van een politieke vervolgingsgrond.
De rechtbank oordeelt dat hoewel de discriminatie en problemen geloofwaardig zijn, deze niet ernstig genoeg zijn om als vervolging te gelden. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn Koerdische identiteit hem een politieke overtuiging oplevert die leidt tot vervolging. Hij is geen lid van een politieke partij en heeft geen politieke activiteiten ontplooid.
Het arrest S en A van het Hof van Justitie van de EU en het daaropvolgende beleid zijn besproken, waarbij is vastgesteld dat een politieke overtuiging ook een gedachte of mening kan zijn. Desondanks concludeert de rechtbank dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer in Turkije vervolgd zal worden vanwege zijn politieke overtuiging.
De minister heeft terecht geoordeeld dat eiser geen terughoudendheid hoeft te betrachten bij het uiten van zijn Koerdische identiteit en dat hij legaal Turkije heeft verlaten. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard omdat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat eiser een politieke overtuiging heeft die leidt tot vervolging.