Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvraag op 12 februari 2025 en moest binnen zes maanden beslissen. Eiser stelde de minister op 30 december 2025 in gebreke en diende daarna beroep in, wat gegrond werd verklaard.
De rechtbank oordeelt dat de minister binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nader gehoor moet afnemen over de asielmotieven van eiser en binnen acht weken daarna een besluit moet nemen. Dit betekent een totale beslistermijn van zestien weken na de uitspraak. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- voor elke dag dat de minister deze termijn overschrijdt.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister tot betaling van proceskosten aan eiser van € 467,-, omdat eiser een professionele gemachtigde inschakelde. De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en bevestigt dat het beroep gegrond is. Partijen werden niet uitgenodigd voor een zitting, omdat dit niet noodzakelijk werd geacht.