ECLI:NL:RBDHA:2026:637
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening in asielzaak na eerdere uitspraak
In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag op 12 januari 2026 uitspraak gedaan in een verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoeker, een asielzoeker, had de minister van Asiel en Migratie aangeklaagd na de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER. Het primaire besluit van de minister, gedateerd op 9 december 2024, wees de aanvraag af. Hiertegen heeft verzoeker bezwaar gemaakt, maar dit bezwaar werd op 25 februari 2025 door de minister kennelijk ongegrond verklaard. Verzoeker heeft vervolgens beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft echter geoordeeld dat een voorlopige voorziening niet meer nodig is, aangezien er op dezelfde dag een uitspraak is gedaan in een gerelateerde zaak (zaaknummer NL25.12882). Hierdoor is het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Tevens is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar gemaakt en er staat geen hoger beroep of verzet open tegen deze beslissing.