Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning EU langdurig ingezetene, welke door de minister is afgewezen vanwege onvoldoende inkomen. Tijdens de bezwaar- en beroepsfase heeft eiser nagelaten zijn inkomensgegevens te overleggen of te onderbouwen waarom de minister onjuist zou zijn. De minister heeft het bezwaar eerst niet-ontvankelijk verklaard, maar dit besluit later ingetrokken en het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd om de stelling van de minister te weerleggen. De enkele bewering dat de minister ambtshalve op de hoogte zou zijn van een verbeterde inkomenspositie is onvoldoende. Eiser heeft ook geen inhoudelijke onderbouwing gegeven voor een schending van de hoorplicht. De rechtbank concludeert dat het bezwaar terecht kennelijk ongegrond is verklaard.
De rechtbank verklaart het beroep tegen het eerste bestreden besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede bestreden besluit ongegrond. De minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser, maar het griffierecht wordt niet teruggegeven. De uitspraak is gedaan zonder zitting op 13 maart 2026.