Verzoeker diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister op 14 november 2025 niet in behandeling werd genomen omdat Slovenië volgens de Dublin-verordening verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling.
Verzoeker stelde hiertegen beroep in en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek en het beroep op 16 maart 2026 in zitting, waarbij beide partijen zich lieten vertegenwoordigen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat nu de rechtbank op dezelfde dag uitspraak heeft gedaan op het beroep, een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is en wees het verzoek af. Tevens veroordeelde de voorzieningenrechter de minister in de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 934,-, vanwege het indienen van het verzoekschrift.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter M. Munsterman en griffier S. Strating en is openbaar gemaakt op 23 maart 2026. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.