ECLI:NL:RBDHA:2026:6361

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
NL25.56027
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening in asielzaak Dublin-verordening

Verzoeker diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister op 14 november 2025 niet in behandeling werd genomen omdat Slovenië volgens de Dublin-verordening verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling.

Verzoeker stelde hiertegen beroep in en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek en het beroep op 16 maart 2026 in zitting, waarbij beide partijen zich lieten vertegenwoordigen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat nu de rechtbank op dezelfde dag uitspraak heeft gedaan op het beroep, een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk is en wees het verzoek af. Tevens veroordeelde de voorzieningenrechter de minister in de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 934,-, vanwege het indienen van het verzoekschrift.

De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter M. Munsterman en griffier S. Strating en is openbaar gemaakt op 23 maart 2026. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de minister wordt veroordeeld in de proceskosten van verzoeker.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.56027

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. B.H. Wezeman).

Inleiding

1. De minister heeft op 14 november 2025 de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat Slovenië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek en het beroep [1] op 16 maart 2026 op zitting behandeld. Verzoeker en de minister hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
3. Gelet op de uitkomst van de beroepsprocedure veroordeelt de voorzieningenrechter de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 934,-, omdat de gemachtigde van verzoeker een verzoekschrift heeft ingediend (1 punt).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
  • wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit beroep staat geregistreerd onder zaaknummer: NL25.56026.