ECLI:NL:RBDHA:2026:6342

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
NL26.1615
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken beroepsgronden bij Dublin-besluit

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie van 9 januari 2026, waarin de asielaanvraag niet in behandeling werd genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublin-verordening.

De rechtbank heeft het beroep zonder zitting behandeld en vastgesteld dat eiser geen beroepsgronden heeft vermeld in het beroepschrift. Ondanks een schriftelijke oproep om dit binnen een week te herstellen, heeft eiser geen gronden ingediend en geen verschoonbare reden gegeven voor het verzuim.

Daarom verklaart de rechtbank het beroep kennelijk niet-ontvankelijk, waardoor het bestreden besluit in stand blijft. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gepseudonimiseerd openbaar gemaakt op 23 maart 2026.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden, waardoor het bestreden Dublin-besluit in stand blijft.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.1615

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. H.A. Limonard)
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. Bij besluit van 9 januari 2026 heeft de minister de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen dit besluit.
1.1.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting, omdat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. [1]
1.2.
De rechtbank beslist afzonderlijk op het verzoek van eiser om een voorlopige voorziening te treffen. [2]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, omdat eiser de gronden van het beroep niet heeft vermeld en dat verzuim niet tijdig heeft hersteld. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Toetsingskader
3. Iemand die beroep instelt, moet in het beroepschrift de gronden van het beroep vermelden. [3] Dat houdt in dat moet worden aangeven op welke specifieke punten hij of zij het niet eens is met het bestreden besluit. Als dat niet gebeurt, kan de rechtbank na het bieden van een herstelmogelijkheid het beroep niet-ontvankelijk verklaren. [4]
Heeft eiser de gronden tijdig vermeld?
4. Eiser heeft geen beroepsgronden vermeld in het beroepschrift. De rechtbank heeft eiser in haar bericht van 12 januari 2026 verzocht om binnen één week, uiterlijk op 19 januari, dit verzuim te herstellen. Daarbij is medegedeeld dat de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren, als dit verzuim niet wordt hersteld. Eiser heeft binnen die termijn geen gronden ingediend.
Is het niet tijdig vermelden van de gronden verschoonbaar?
5. Eiser heeft geen reden gegeven voor dit verzuim waardoor niet is gebleken dat het verzuim verschoonbaar is.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep niet inhoudelijk beoordeelt en dat het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van V.M. de Koning, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Zij maakt hier gebruik van de mogelijkheid uit artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit verzoek wordt behandeld onder zaaknummer NL26.1616.
3.Dit staat in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb.
4.Dit staat in artikel 6:6 van Pro de Awb.