ECLI:NL:RBDHA:2026:6329

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
25/3641
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 OwArt. 22.29 Omgevingsplan gemeente Den HaagArt. 18.3.1 bestemmingsplanArt. 20.1 bestemmingsplan
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering omgevingsvergunning uitbreiding eerste verdieping en kap wegens strijd met redelijke eisen van welstand

Eiser heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het uitbreiden van de eerste verdieping en de kap aan de achterzijde van zijn woning. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft deze aanvraag geweigerd omdat het bouwplan niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand, mede op advies van de Adviescommissie omgevingskwaliteit cultureel erfgoed (AOC).

Eiser betoogt dat het bouwplan binnen het bestemmingsplan past en dat het welstandsadvies ondeugdelijk is, onvoldoende gemotiveerd en niet toegespitst op het plan. De rechtbank overweegt dat het bouwplan weliswaar binnen de planregels valt, maar dat het verschil in goothoogte en dakhelling ten opzichte van de overige woningen in het bouwblok een aantasting vormt van het kenmerkende daklandschap en daarmee strijdig is met redelijke eisen van welstand.

De rechtbank oordeelt dat het college het welstandsadvies terecht heeft overgenomen, omdat eiser geen concrete aanwijzingen heeft gegeven die twijfel aan de zorgvuldigheid of juistheid van het advies rechtvaardigen. Ook is geen sprake van een belangenafweging bij de welstandstoets, zodat het beroep ongegrond wordt verklaard. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten en het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard vanwege strijd met redelijke eisen van welstand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/3641

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. J. van der Velden),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Smit).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van een omgevingsvergunning. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij bestrijdt dat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de beslissing op bezwaar.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning mocht weigeren. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Nadat een eerdere aanvraag van eiser op 17 juli 2024 door het college is afgewezen, heeft eiser op 10 december 2024 opnieuw een omgevingsvergunning aangevraagd voor het uitbreiden van de eerste verdieping en kap aan de achterzijde van zijn woning aan [adres 1] in [plaats] (de woning). Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 9 december 2024 (het primaire besluit) afgewezen. Met het bestreden besluit van 14 april 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. Op 1 januari 2024 is de Ow in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel waar de vergunningsaanvraag op ziet, was vóór 1 januari 2024 het [bestemmingsplan] van kracht. Dat bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Den Haag.
3.1.
Voor het overige toetsingskader verwijst de rechtbank naar de bijlage.
Het bestreden besluit
4. De aanvraag gaat over het uitbreiden van de eerste verdieping en de kap aan de achterzijde van de woning. Gevraagd is een omgevingsvergunning voor een ‘omgevingsplanactiviteit’ als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Omgevingswet (Ow) en voor een ‘bouwactiviteit’ als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a van de Ow. Het college heeft het gedeelte van de aanvraag dat ziet op ‘omgevingsplanactiviteit’ afgewezen op grond van artikel 22.29, eerste lid onder a en b, van het Omgevingsplan gemeente Den Haag (het omgevingsplan), omdat het bouwplan volgens het college niet aan redelijke eisen van welstand voldoet. Daarbij heeft het college het negatieve advies van de Adviescommissie omgevingskwaliteit cultureel erfgoed (AOC) van 27 november 2024 overgenomen.
4.1.
In het bestreden besluit van 14 april 2025 is het college hierbij gebleven conform het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften (Acb).
Voldoet het bouwplan aan redelijke eisen van welstand?
5. Eiser betoogt dat het welstandsadvies ondeugdelijk tot stand is gekomen. Volgens vaste rechtspraak dient de welstandstoets zich te richten naar het planologische kader. [1] Als een bouwplan ruimtelijk aanvaardbaar is, mag een welstandsadvies niet worden toegepast op een wijze die de planologische bouwmogelijkheden feitelijk ondermijnt. Volgens eiser is van zulke ondermijning in dit geval sprake, omdat het welstandsadvies eraan voorbij is gegaan dat het bouwplan binnen het bestemmingsplan past.
5.1.
Naar vaste rechtspraak dient de welstandstoets zich in beginsel te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt. Uit het algemeen karakter van het welstandsvereiste vloeit voort dat bij de welstandstoets de voor de grond geldende bebouwingsmogelijkheden als uitgangspunt dienen te worden gehanteerd. Naarmate het bestemmingsplan meer keuze laat tussen verschillende mogelijkheden om een bouwplan te realiseren, heeft het college - met inachtneming van de uitgangspunten van het bestemmingsplan - meer beoordelingsruimte om in het kader van de welstandsbeoordeling een ter beoordeling voorliggend bouwplan in strijd met redelijke eisen van welstand te achten zonder dat dat oordeel geacht moet worden te leiden tot een belemmering van de verwezenlijking van de bouwmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Indien echter uit de voorschriften en de systematiek van het bestemmingsplan volgt dat zulk een keuze niet of slechts in beperkte mate aanwezig is - met name indien de bebouwingsmogelijkheden daarin gedetailleerd zijn aangegeven - vormt die opzet bij de welstandstoets een dwingend gegeven. In dat geval wordt de grens van de welstandstoets eerder overschreden.
5.2.
Het welstandsadvies van de AOC van 27 november 2024 luidt als volgt:
“De commissie kan op deze locatie niet instemmen met de voorgestelde volumevergroting over twee verdiepingen aan de achterzijde. Eerder heeft de commissie (in een andere aanvraag) de uitbreiding aan de achterzijde van het dakschild door een rechtopgaande gevel over meer dan twee verdiepingen beoordeeld als een aantasting van het kenmerkende daklandschap.
Nu wordt het rechttrekken van over 1 verdieping aangevraagd en daarboven het wijzigen van de dakhelling en het naar achteren trekken. Ook bij dit voorstel blijft het kenmerkende daklandschap niet meer herkenbaar.
[straatnaam] is een woonhof in een bouwblok. De opzet wordt gekenmerkt door strokenbouw bestaande uit twee bouwlagen en een kap aan de voorzijde en met een laaggelegen goot op de eerste verdieping aan de achterzijde. Dit aspect is leidend voor eventuele uitbreidingen. De commissie acht het stedenbouwkundig profiel van de kopgevels, zichtbaar vanaf de entree van het hofje, leidend voor dit woonhof. Het voorgestelde plan vormt een onaanvaardbare aantasting van het architectonische volume, waardoor de eenheid binnen het ensemble verloren gaat.”
5.3
De rechtbank stelt voorop dat uit de rechtspraak van de Afdeling niet kan worden afgeleid dat het enkele feit dat een bouwplan past binnen de planregels maakt dat slechts in bijzondere gevallen een negatief welstandsadvies mogelijk is. Een dergelijke rechtsopvatting valt ook niet terug te voeren op het wettelijk regime. Op grond van artikel 18.3.1 van het bestemmingsplan wordt bij de functieaanduiding ‘dakopbouw’ een dakopbouw expliciet toegestaan en in die gevallen mag het welstandsadvies een dakopbouw niet weigeren. Het bouwplan valt echter niet onder deze functieaanduiding. Vast staat dat het bouwplan past binnen de eisen die het bestemmingsplan stelt aan goot-en nokhoogte. In het bestemmingsplan zijn evenwel geen eisen opgenomen ten aanzien van de dakhelling. Evenmin kent het bestemmingplan regels die anderszins het aanzien van het dak reguleren. Gelet op het voorgaande is in dit geval geen sprake van de situatie dat het welstandsadvies de planologische mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt onmogelijk maakt. De grond slaagt niet.
6. Volgens eiser heeft het college nagelaten zelfstandig te toetsen of het advies deugdelijk is onderbouwd, terwijl volgens vaste rechtspraak een college een welstandsadvies alleen mag overnemen indien het gebaseerd is op geschikte, concrete beoordelingscriteria. [2] Inhoudelijk acht eiser het welstandsadvies te summier, algemeen geformuleerd en nauwelijks toegespitst op het voorliggende bouwplan. Het advies benoemt geen concrete kenmerken van het plan die zouden afwijken van aanvaardbare esthetiek en een motivering omtrent de relevante esthetische verschillen ontbreekt.
6.1.
Volgens vaste rechtspraak mag het college aan een welstandsadvies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Dit is anders indien het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, dat verweerder het niet, of niet zonder meer, aan zijn oordeel over de welstand ten grondslag heeft mogen leggen. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in beginsel dan ook geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht. [3]
6.2.
De rechtbank overweegt dat de beoogde goothoogte aan de achterzijde van de woning op basis van het bouwplan een verdieping hoger komt te liggen dan bij de andere woningen in hetzelfde bouwblok, hetgeen er bovendien toe leidt dat de dakhelling anders wordt dan bij de overige woningen in het bouwblok. Gelet daarop is navolgbaar dat de AOC tot het oordeel kwam dat het bouwplan in strijd komt met redelijke eisen van welstand. Voor zover eiser betoogt dat het college naast het welstandsadvies van de AOC een eigen welstandstoets had moeten verrichten, overweegt de rechtbank dat het college in beginsel zonder toelichting een welstandsadvies over mag nemen. Daarnaast heeft eiser geen contra-expertise overgelegd of concrete aanknopingspunten naar voren gebracht op grond waarvan getwijfeld zou moeten worden aan de zorgvuldigheid, begrijpelijkheid of juistheid van het welstandsadvies. De grond slaagt niet.
7. Eiser voert aan dat het college ten onrechte niet is ingegaan op de aanpassing van het bouwplan ten opzichte van de eerder afgewezen aanvraag.
7.1.
Nu het aangepaste plan door de AOC is beoordeeld en ook het college daar expliciet op is ingegaan bij zijn besluitvorming, vindt dit betoog geen steun in de feiten. De grond slaagt niet.
8. Eiser mist een kenbare afweging van zijn belangen in het bestreden besluit, terwijl reguliere woonbelangen volgens de Afdeling integraal moeten worden meegewogen in de besluitvorming. [4] Het college is niet ingegaan op de omstandigheid dat de uitbreiding van de woning noodzakelijk is om de slaapkamer van de kinderen te vergroten. Het ontbreken van deze belangenafweging klemt des te meer, omdat het plan geen zichtbare schade toebrengt aan het straatbeeld en geen belangen van derden schaadt.
8.1.
De rechtbank overweegt dat bij de vraag, of een bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand, de belangen van de aanvrager in beginsel geen rol spelen. Alleen bij de beslissing om bij het verlenen van een omgevingsvergunning al dan niet af te wijken van het bestemmingsplan vindt een belangenafweging plaats. De rechtbank volgt het college bovendien in zijn stellingname dat belangen van derden geen rol spelen bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning. De grond slaagt niet.
9. Ter onderbouwing van zijn betoog wijst eiser op een vergelijkbare bestaande uitbouw aan de [adres 2] in dezelfde wijk, die qua dakhelling verschilt van de andere daken in hetzelfde bouwblok. De AOC had dat gegeven mee behoren te nemen bij zijn advisering.
9.1.
De rechtbank stelt vast dat ter zitting door eiser is erkend dat in het geval van [adres 2] geen sprake is van gelijksoortige bouw. Er is geen rechtsregel die de AOC dan wel het college verplicht een bouwplan af te zetten tegen overige, ongelijksoortige bouwwerken in de omgeving. De grond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Raben, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE
Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow, is het verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.
Ingevolge artikel 22.29, eerste lid, van het omgevingsplan wordt een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit alleen verleend als de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, en als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand.
Ter plaatse geldt onder het bestemmingsplan de bestemming “wonen”. Ingevolge artikel 20.1 van het bestemmingsplan geldt ter plaatse “waarde – Archeologie”.
Ingevolge artikel 18.3.1, aanhef en onder c, van het bestemmingsplan mag ter plaatse van de “specifieke bouwaanduiding – dakopbouw” een dakopbouw van maximaal 3,5 m hoogte gebouwd worden.

Voetnoten

1.Eiser verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 28 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3860, van 10 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1104 en van 11 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1796.
2.Eiser verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 11 augustus 2021, ECLI:RVS:2021:1796.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4651.
4.Eiser verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:RVS:2019:1604.