Uitspraak
RECHTBANK Den Haag
1.De procedure
2.Het incident tot tussenkomst
3.De feiten
Vaststellen in welke mate de Inschrijver de opdrachtomschrijving doorgrondt.
4. Mate van effectiviteit
Bij de kwaliteitswensvragen I en III (proeven van bekwaamheid) bestond voor inschrijvers de mogelijkheid maximaal zeven enkelvoudige vragen te stellen. De antwoorden op die vragen konden inschrijvers bij hun bevindingen bij de casus betrekken. In “Bijlage 6.1a Procesbeschrijving PvB Werving en Selectie I en III” is over de vragen het volgende opgenomen:
De vragen die u heeft gesteld zijn als relevant beoordeeld”.
4.Het geschil
5.De beoordeling
op de in het Aanbestedingsdocument beschreven wijze”, waarbij wordt verwezen naar hoofdstuk 5 van het Aanbestedingsdocument. In paragraaf 5.4 van het Aanbestedingsdocument staat de beoordelings- en waarderingsmaatstaf met de daar vermelde beoordelingscriteria: volledig/compleet, relevant, concreet, effectief, toetsbaar (zie 3.7). Opvallend is dat deze criteria zelf uitsluitend lijken te zien op de door de inschrijvers gegeven antwoorden, omdat het steeds gaat om “
de antwoorden op de gestelde wensvragen” of “
de antwoorden”. Het is daarmee niet meteen duidelijk hoe dit beoordelingskader op de door de inschrijvers gestelde vragen kan worden toegepast. Hoofdstuk 5 bevat geen specifieke instructie voor de beoordeling van die vragen. Hierdoor zou enige twijfel kunnen rijzen over de wijze waarop de vragen moeten worden beoordeeld. Deze twijfel wordt evenwel weggenomen door de tweede passage in de Procesbeschrijving PvB I en III (zie 3.10), waar staat dat de gestelde vragen meewegen in de beoordeling en waardering van de ingediende uitwerking met daarachter tussen haken “
relevantie van de vraag”. Deze uitleg, waarbij de vragen als onderdeel van het totaal meewegen bij de beoordeling van de uitwerking (het antwoord op de casus) en uitsluitend worden beoordeeld op relevantie, sluit aan op de passage onder “Algemeen” en op het beoordelingskader in hoofdstuk 5 van het Aanbestedingsdocument.