Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6328

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
C/09/696478 / KG ZA 25-1262
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.130 Aw 2012Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen tot heraanbesteding en herbeoordeling ICT-aanbesteding DUO

Between Staffing Nederland B.V. heeft een kort geding aangespannen tegen de Staat der Nederlanden inzake een Europese openbare aanbesteding voor tijdelijke inhuur van ICT-professionals ten behoeve van DUO. Between vordert primair heraanbesteding, subsidiair herbeoordeling van de inschrijvingen en meer subsidiair een nieuwe motivering van de gunningsbeslissing.

De aanbestedingsprocedure kende meerdere gunningsbeslissingen, waarbij fouten in de beoordeling van kwalitatieve criteria werden geconstateerd. Na intrekking van eerdere beslissingen volgde een derde gunningsbeslissing waarin de beoordelingscommissies de gestelde vragen alsnog meenamen in de beoordeling. Between stelt dat deze herbeoordeling onzorgvuldig is en onvoldoende gemotiveerd.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de beoordelingscommissies de vragen terecht slechts op relevantie hebben beoordeeld conform het beoordelingskader en dat de integrale herbeoordeling heeft plaatsgevonden. De motivering voldoet aan de eisen van artikel 2.130 Aw 2012. Er is geen grond voor heraanbesteding, herbeoordeling of nieuwe motivering. De vorderingen van Between worden afgewezen en zij wordt veroordeeld in de proceskosten van de tussenkomende partijen.

Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van Between af en veroordeelt haar in de proceskosten van de tussenkomende partijen.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel - voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/09/696478 / KG ZA 25-1262
Vonnis in kort geding van 20 maart 2026
in de zaak van
BETWEEN STAFFING NEDERLAND B.V.te Hoofddorp,
eiseres,
hierna te noemen: Between,
advocaten: mr. A.H. Klein Hofmeijer en mr. L. Sylaj,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN (het ministerie van Economische Zaken en Klimaat, meer in het bijzonder de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland)
te Den Haag,
gedaagde,
hierna te noemen: de Staat,
advocaten: mr. D. Wolters Rückert en mr. A.P.M. Waaijer,
waarin zijn tussengekomen.
[partij A] B.V.te [vestigingsplaats],
[partij B]te [vestigingsplaats],
hierna samen te noemen: [tussengekomen partijen],
advocaten: mr. A.J. van de Watering en mr. R. van den Brink.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 22 december 2025, met producties;
- de conclusie van antwoord, met producties;
- de akte wijzing van eis en intrekking grondslag;
- de incidentele conclusie tot tussenkomst subsidiair voeging van [tussengekomen partijen].
1.2.
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling hebben twee partijen (Seven Stars en Circle8) aangekondigd te willen tussenkomen in dit kort geding. Naar aanleiding van de eiswijziging van Between hebben zij zich teruggetrokken. Zij zijn daarom geen partij in deze procedure.
1.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 februari 2026. Dit was een gevoegde mondelinge behandeling met het kort geding met kenmerk C/09/696394 KG ZA 25-1255, dat gaat over dezelfde aanbestedingsprocedure die ook onderwerp van dit kort geding is.
1.4.
De advocaten van Between en [tussengekomen partijen] hebben ter zitting het woord gevoerd aan de hand van pleitnotities. Deze pleitnotities maken deel uit van het dossier.
1.5.
Vonnis is bepaald op vandaag.

2.Het incident tot tussenkomst

2.1.
[tussengekomen partijen] heeft gevorderd in de procedure tussen Between en de Staat te mogen tussenkomen, dan wel zich te mogen voegen aan de zijde van de Staat. Between en de Staat hebben verklaard hiertegen geen bezwaar te hebben. In verband met de nadelige gevolgen die [tussengekomen partijen] van een uitspraak in de hoofdzaak kunnen ondervinden, heeft zij voldoende belang om zich te mengen in dit kort geding. Niet gebleken is dat de inmenging van [tussengekomen partijen] aan een voortvarende afdoening van dit geschil in kort geding in de weg staat. Aangezien [tussengekomen partijen] in de hoofdzaak een (voorwaardelijke) vordering heeft ingesteld, is zij toegelaten als tussenkomende partij.

3.De feiten

3.1.
Op 3 mei 2024 heeft het Inkoop Uitvoering Centrum EZK (hierna: IUC-EZK) namens de Staat de aankondiging gedaan voor een Europese openbare aanbesteding voor de tijdelijke inhuur van ICT-Professionals ten behoeve van de Dienst Uitvoering Onderwijs en ODC-Noord (hierna samen DUO). Op de aanbestedingsprocedure is de Aanbestedingswet 2012 (Aw 2012) van toepassing.
3.2.
Het doel van de aanbesteding is om ten behoeve van DUO met acht inschrijvers een raamovereenkomsten te sluiten voor de tijdelijke inhuur van ICT-professionals. De Raamovereenkomsten hebben een maximale looptijd van vier jaar en drie maanden en een geraamde totale opdrachtwaarde van € 280 miljoen exclusief btw.
3.3.
In de periode vanaf 2020 heeft het IUC-EZK meerdere vergelijkbare aanbestedingsprocedures gehouden voor de inhuur van ICT-personeel ten behoeve van diverse overheidsonderdelen.
3.4.
De aanbestedingsprocedure en de te gunnen opdracht (hierna: de Opdracht) is nader omschreven in het Aanbestedingsdocument van 1 mei 2024 (hierna: het Aanbestedingsdocument), met bijlagen, waaronder Bijlage 6.1a Procesbeschrijving PvB Werving en Selectie I en III (hierna: Procesbeschrijving PvB I en III).
3.5.
Het gunningscriterium is de economisch meest voordelige inschrijving op basis van de beste prijs-kwaliteitverhouding. De kwalitatieve criteria bestaan uit drie Kwaliteitswensvragen elk in de vorm van een Proeve van Bekwaamheid (hierna: PvB), waarbij aan de inschrijvers een casus ter beschikking werd gesteld, die door hen moest worden beantwoord. De gegeven antwoorden werden per PvB door een aparte beoordelingscommissie beoordeeld aan de hand van het in het Aanbestedingsdocument opgenomen beoordelingskader. Voor dit kort geding zijn alleen de Kwaliteitswensvragen I en III van belang, met als onderwerp de inhuur van respectievelijk een ontwikkelaar en een managementondersteuner.
3.6.
In paragraaf 5.3 van het Aanbestedingsdocument staat (verdeeld over twee pagina’s) het volgende gunningsmodel:
3.7.
In paragraaf 5.4 van het Aanbestedingsdocument staat (verdeeld over twee pagina’s) de volgende beoordelings- en waarderingsmaatstaf:
3.8.
De doelstelling van PvB I en PvB III was dat de inschrijvers geschikte “best-passende” kandidaten aanbieden die in aanmerking zouden kunnen komen voor een selectiegesprek. Voor deze Proeven ontving de inschrijver een casus, waarna hij de gelegenheid kreeg om anoniem zeven vragen te stellen, die door het IUC-EZK per inschrijver werden beantwoord. Daarna moest de inschrijver zijn bevindingen beschrijven om te laten zien dat hij de casus doorgrondt en moest hij de twee anonieme en waarheidsgetrouwe cv’s aanleveren, waarvan hij denkt dat deze de best passende zijn.
3.9.
In de Procesbeschrijving PvB I en PvB III staat onder “Algemeen” de volgende doelstelling:

Vaststellen in welke mate de Inschrijver de opdrachtomschrijving doorgrondt.
Vaststellen in welke mate Inschrijver geschikte, best-passende Kandidaten
aanbiedt, die in aanmerking zouden kunnen komen voor een selectiegesprek.
De Aanbestedende dienst beoordeelt de gestelde vragen en de antwoorden van
de Proeve op de in het Aanbestedingsdocument beschreven wijze (zie ook
hoofdstuk 5 van het Aanbestedingsdocument).
3.10.
Over het stellen van de vragen staat in Procesbeschrijving PvB I en PvB III onder “Inlichtingen” het volgende:
3.11.
Voor de aanbesteding hebben zich voor de uiterste inschrijftermijn van 2 juli 2024 vijftien partijen ingeschreven, onder wie Between en [tussengekomen partijen]. Na publicatie van PvB I en PvB III heeft Between gebruik gemaakt van de mogelijkheid om vragen te stellen.
3.12.
Op 20 december 2024 heeft het IUC-EZK de eerste gunningsbeslissing (hierna: de Eerste Gunningsbeslissing) bekend gemaakt. In deze gunningsbeslissing was Between als zevende geëindigd met een totaalscore op het onderdeel kwaliteit van 600/900 punten.
3.13.
In de motivering van de score van Between in de Eerste Gunningsbeslissing staat bij de beoordeling van PvB III onder meer het volgende:

4. Mate van effectiviteit
Inschrijver heeft met zijn uitwerking en de bijbehorende cv’s een gericht en effectief, overtuigend voorstel gedaan met de voordracht van twee passende, deskundige en ervaren kandidaten. Inschrijver heeft daarmee grotendeels aan de doelstelling van de Proeve voldaan. Punt van kritiek betreft de deels minder scherpe vraagstelling: bij vraag 2 informeert Inschrijver naar (…). Vraag 7 over (…) wekt de indruk dat Inschrijver (….)
(…)
5. Mate van relevantie
De door inschrijver gestelde vragen zijn overwegend relevant voor het doorgronden van de inhuuropdracht, met uitzondering van de vragen 2 en 7. Het doorgronden door Inschrijver blijkt onder meer uit (…)
3.14.
Naar aanleiding van de Eerste Gunningsbeslissing hebben drie inschrijvers een kort geding aanhangig gemaakt tegen de Staat, waarin zij bezwaren hebben gemaakt tegen de beoordeling van de kwalitatieve criteria.
3.15.
Bij brief van 28 februari 2025 heeft het IUC-EZK aan de inschrijvers meegedeeld dat er fouten zijn gemaakt in de beoordeling van alle drie de kwaliteitswensvragen en dat hij daarom overgaat tot intrekking van de gunningsbeslissing. Het IUC-EZK heeft daarom de gunningsbeslissing ingetrokken en aangekondigd over te gaan tot herbeoordeling van alle inschrijvingen op alle drie de kwaliteitswensvragen en dat die herbeoordeling zal worden uitgevoerd door nieuwe beoordelingscommissies.
3.16.
Op 3 oktober 2025 heeft de Staat de tweede gunningsbeslissing (hierna: de Tweede Gunningsbeslissing) bekend gemaakt. In deze gunningsbeslissing is Between met een totaalscore op kwaliteit van 670/900 punten als negende geëindigd, waardoor zij niet voor gunning in aanmerking komt.
3.17.
Op 20 oktober 2025 heeft het IUC-EZK aan de inschrijvers meegedeeld dat hij in verband met nieuwe bezwaren van twee inschrijvers de rechtsbeschermingstermijn tot nader order opschort.
3.18.
Op 2 december 2025 heeft het IUC-EZK aan de inschrijvers meegedeeld dat de Tweede Gunningsbeslissing wordt ingetrokken en gelijktijdig de derde gunningsbeslissing (hierna: de Derde Gunningsbeslissing) bekend gemaakt. In de Derde Gunningsbeslissing staat hierover het volgende:

Bij de kwaliteitswensvragen I en III (proeven van bekwaamheid) bestond voor inschrijvers de mogelijkheid maximaal zeven enkelvoudige vragen te stellen. De antwoorden op die vragen konden inschrijvers bij hun bevindingen bij de casus betrekken. In “Bijlage 6.1a Procesbeschrijving PvB Werving en Selectie I en III” is over de vragen het volgende opgenomen:
(...)
De vragen die de inschrijver stelde dienden aldus mee te wegen in de beoordeling en waardering van de ingediende uitwerking. Het gaat dan om de relevantie van de vragen.
De beoordelingscommissies voor kwaliteitswensvragen I en III hebben beoordeeld in welke mate de inschrijver de opdrachtomschrijving doorgrondt en in welke mate de inschrijver geschikte, best-passende kandidaten aanbiedt, die in aanmerking zouden kunnen komen voor een selectiegesprek. Bij de herbeoordeling is de relevantie van de gestelde vragen per abuis niet betrokken.
Die omissie is inmiddels hersteld. De beoordelingscommissies van de kwaliteitswensvragen I en III, die geen kennis hebben genomen van de ranking en voor wie de inschrijvingen anoniem zijn gebleven, hebben de gestelde vragen alsnog laten meewegen in de beoordeling en waardering van de ingediende uitwerking. Het resultaat daarvan is opgenomen in bijlage 1 bij deze nieuwe gunningsbeslissing die voor de gunningsbeslissing van 3 oktober in de plaats treedt.
3.19.
De Derde Gunningsbeslissing komt voor wat betreft de rangorde overeen met de Tweede Gunningsbeslissing, waardoor Between als negende is geëindigd met een totaalscore op het onderdeel kwaliteit van 670/900 punten. De motivering van de gunningsbeslissing voor Between komt overeen met de motivering van de Tweede Gunningsbeslissing, met dien verstande dat daaraan bij PvB I en PvB III de volgende zin is toegevoegd: “
De vragen die u heeft gesteld zijn als relevant beoordeeld”.
3.20.
Na de Derde Gunningsbeslissing heeft er een toelichtend gesprek plaatsgevonden tussen het IUC-EZK en Between.

4.Het geschil

4.1.
Na wijziging van eis vordert Between bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, samengevat:
primair: de Staat te gebieden om aanbestedingsprocedure te staken en gestaakt te houden en op de kortst mogelijke termijn over te gaan tot een openbare Europese heraanbesteding, althans een aanbestedingsprocedure waarvoor Between wordt uitgenodigd;
subsidiair: de Staat te gebieden om alle ontvangen geldige inschrijvingen, althans in ieder geval de inschrijving van Between integraal en zorgvuldig opnieuw te beoordelen, in ieder geval op de kwalitatieve criteria PvB 1 en 3, zo nodig door een nieuw aan te stellen beoordelingscommissie, en een nieuwe gunningsbeslissing te nemen die voldoet aan de eisen van artikel 2.130 Aw 2012, inclusief een nieuwe rechtsbeschermingstermijn van 20 dagen.
meer subsidiair: de Staat te gebieden om een nieuwe mededeling van de gunningsbeslissing te sturen die voldoet aan de eisen van de aanbestedingsstukken en artikel 2.130 Aw 2012 en het te wijzen vonnis, met inachtneming van een nieuwe rechtsbeschermingstermijn van minimaal twintig (kalender)dagen;
in alle gevallen met veroordeling van de Staat in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
Between legt aan de vordering het volgende ten grondslag.
De kwalitatieve beoordeling is onzorgvuldig uitgevoerd, omdat de gestelde vragen niet zijn meegewogen op een manier waarmee de redelijk geïnformeerde en normaal zorgvuldig handelende inschrijver rekening mocht houden. Uit de Tweede Gunningsbeslissing blijkt niet of en, zo ja, hoe de vragen zijn beoordeeld en hoe ze hebben bijgedragen aan de scores voor PvB I en III. De tweede herbeoordeling neemt deze omissie niet weg, omdat er feitelijk slechts twee zinnen aan de motivering zijn toegevoegd. Een herbeoordeling vereist dat de gehele inschrijving integraal opnieuw wordt beoordeeld. Er is sprake van een fundamentele beoordelingsfout die meebrengt dat ook de Derde Gunningsbeslissing moet worden ingetrokken. Aangezien sprake is van terugkerende gebreken in het beoordelingsproces kan niet worden volstaan met een vierde herbeoordeling, maar is primair heraanbesteding aangewezen. Subsidiair geldt dat de Staat gehouden is om over te gaan tot herbeoordeling, dan wel om de Derde Gunningsbeslissing opnieuw te motiveren.
4.3.
De Staat voert verweer. De Staat concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Between, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Between, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Between in de kosten van deze procedure.
4.4.
[tussengekomen partijen] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de Staat te gebieden
– voor zover hij de Opdracht nog wenst te vergeven – de Opdracht definitief te gunnen overeenkomstig de Derde Gunningsbeslissing en over te gaan tot het sluiten van de raamovereenkomst met [tussengekomen partijen], met veroordeling van Between in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.5.
Aan deze vordering legt [tussengekomen partijen] ten grondslag dat zij er belang bij heeft dat de Opdracht definitief aan haar wordt gegund en dat zij daarom belang heeft bij afwijzing van de vorderingen van Between en handhaving van de gunningsbeslissing.
4.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Inleiding
5.1.
Tussen partijen is in geschil of de Staat moet overgaan tot heraanbesteding van de Opdracht, dan wel tot herbeoordeling van de inschrijvingen, dan wel dat hij de gunningsbeslissing opnieuw moet motiveren.
5.2.
De vorderingen van Between zijn gebaseerd op haar stelling dat er ook in de Derde Gunningsbeslissing fouten zijn gemaakt in de beoordeling van PvB I en III. Daarnaast heeft zij zich op het standpunt gesteld dat in de gehele procedure sprake is van fundamentele gebreken die maken dat de aanbestedingsprocedure moet worden gestaakt. Between heeft hierbij onder meer gewezen op de gemaakte fouten, het tijdsverloop tussen de Eerste Gunningsbeslissing en de Tweede Gunningsbeslissing en de totale wijziging van de rangorde na de Eerste Gunningsbeslissing. Volgens Between kan het geen toeval zijn dat de klagende partijen na de Eerste Gunningsbeslissing in de Tweede Gunningsbeslissing ineens tot de winnende inschrijvers behoren, terwijl de nummer één van de Eerste Gunningsbeslissing en drie andere inschrijvers uit de top acht zijn verdwenen.
5.3.
Anders dan Between heeft betoogd, kan uit het verschil in de rangorde tussen de Eerste en de Tweede Gunningsbeslissing niet zonder meer worden afgeleid dat er fundamentele gebreken zijn. Aangezien de Staat erop heeft gewezen dat in de eerste beoordeling bij alle drie de Kwaliteitswensvragen fouten zijn gemaakt in de toepassing van het beoordelingskader en in de beoordeling zelf en de nieuwe beoordeling is gedaan door nieuwe beoordelingscommissies, is het niet verwonderlijk dat er aanmerkelijke verschillen zijn tussen de Eerste en de Tweede Gunningsbeslissing. De Staat heeft bovendien erop gewezen dat de scores van de vijftien inschrijvers dicht bij elkaar lagen, zodat een verschil in de beoordeling van een van de Kwaliteitswensvragen grote gevolgen kan hebben gehad in de uitkomst. Between heeft dit niet weersproken. Het enkele feit dat de inschrijvers die geklaagd hebben over de Eerste Gunningsbeslissing nu tot de winnende inschrijvers behoren, rechtvaardigt niet de conclusie dat sprake is van een fundamenteel gebrek. Indien ook in de Derde Gunningsbeslissing fouten zouden zijn gemaakt, leidt dat niet zonder meer tot de conclusie dat de aanbestedingsprocedure moet worden gestaakt. Het is in dat geval aan de Staat als aanbestedende dienst om te beslissen over herbeoordeling, dan wel heraanbesteding. Dat kan anders zijn indien het beoordelingskader gebrekkig is, maar dat heeft Between niet gesteld. Anders dan Between heeft betoogd, betekent een opeenvolging van gunningsbeslissingen niet dat sprake is van een eindeloze loterij. Indien de laatste gunningsbeslissing voldoet aan de daaraan te stellen eisen, is sprake van een geldige aanbestedingsprocedure.
5.4.
Hierna komen Betweens bezwaren tegen de Derde Gunningsbeslissing aan de orde.
De bezwaren van Between zien erop dat (i) de in het kader van PvB I en III gestelde vragen volgens haar aan de hand van het gehele beoordelingskader hadden moeten worden beoordeeld en niet enkel op relevantie; (ii) dat na intrekking van de Tweede Gunningsbeslissing ten onrechte geen integrale herbeoordeling heeft plaatsgevonden; en (iii) de Derde Gunningsbeslissing onvoldoende is gemotiveerd.
Beoordelingskader voor de vragen
5.5.
Voor PvB I en III kregen de inschrijvers een casus die bestond uit een opdracht om kandidaten te leveren. Hierover mocht iedere inschrijver anoniem zeven vragen stellen, die door het IUC-EZK werden beantwoord. Vervolgens moest de inschrijver in zijn antwoord (uitwerking) laten zien dat hij de casus heeft doorgrond, waarbij hij ook twee cv’s moest aanleveren.
5.6.
Het antwoord op de vraag hoe de door de inschrijvers gestelde vragen moesten worden beoordeeld moet in beginsel worden afgeleid uit hetgeen een redelijk geïnformeerde en normaal zorgvuldige inschrijver geacht moet worden uit het Aanbestedingsdocument (inclusief bijlagen) te hebben begrepen. Op grond van het transparantiebeginsel moet bij de uitleg van de bepalingen van aanbestedingstukken de zogenoemde CAO-norm worden toegepast. Dit betekent dat deze bepalingen naar objectieve maatstaven dienen te worden uitgelegd en dat de bewoordingen van die bepalingen, gelezen in het licht van de gehele tekst van de aanbestedingstukken, van doorslaggevende betekenis zijn. Het beoordelings-kader van vergelijkbare aanbestedingsprocedures is hierbij in beginsel niet relevant.
5.7.
De Staat heeft bepleit dat de na de Eerste Gunningsbeslissing ingestelde beoordelingscommissies er – mogelijk door een verschil met vergelijkbare aanbestedingen – ten onrechte van zijn uitgegaan dat de door de inschrijvers gestelde vragen niet in de beoordeling mochten worden betrokken. Hoe dit heeft kunnen gebeuren is niet duidelijk geworden. Tussen partijen is niet in geschil dat dit een beoordelingsfout betreft, omdat in de Procesbeschrijving PvB I en III op twee plaatsen (zie 3.9 en 3.10) is voorgeschreven dat de vragen juist wel worden meegewogen. Deze omissie kon hersteld worden in een Derde gunningsbeslissing. Hierbij is niet van belang dat deze omissie er in de Eerste Gunningsbeslissing kennelijk niet was.
5.8.
In de Procesbeschrijving PvB I en III staat onder “Algemeen” dat de gestelde vragen en de antwoorden van de Proeve worden beoordeeld “
op de in het Aanbestedingsdocument beschreven wijze”, waarbij wordt verwezen naar hoofdstuk 5 van het Aanbestedingsdocument. In paragraaf 5.4 van het Aanbestedingsdocument staat de beoordelings- en waarderingsmaatstaf met de daar vermelde beoordelingscriteria: volledig/compleet, relevant, concreet, effectief, toetsbaar (zie 3.7). Opvallend is dat deze criteria zelf uitsluitend lijken te zien op de door de inschrijvers gegeven antwoorden, omdat het steeds gaat om “
de antwoorden op de gestelde wensvragen” of “
de antwoorden”. Het is daarmee niet meteen duidelijk hoe dit beoordelingskader op de door de inschrijvers gestelde vragen kan worden toegepast. Hoofdstuk 5 bevat geen specifieke instructie voor de beoordeling van die vragen. Hierdoor zou enige twijfel kunnen rijzen over de wijze waarop de vragen moeten worden beoordeeld. Deze twijfel wordt evenwel weggenomen door de tweede passage in de Procesbeschrijving PvB I en III (zie 3.10), waar staat dat de gestelde vragen meewegen in de beoordeling en waardering van de ingediende uitwerking met daarachter tussen haken “
relevantie van de vraag”. Deze uitleg, waarbij de vragen als onderdeel van het totaal meewegen bij de beoordeling van de uitwerking (het antwoord op de casus) en uitsluitend worden beoordeeld op relevantie, sluit aan op de passage onder “Algemeen” en op het beoordelingskader in hoofdstuk 5 van het Aanbestedingsdocument.
Dit is ook en logische uitleg, omdat de PvB’s nu juist zien op het aanbieden van passende kandidaten, waarbij het stellen van vragen een hulpmiddel is, waarvan het resultaat terug zou moeten komen in het gegeven antwoord.
5.9.
Er is geen steun te vinden voor het betoog van Between dat de beoordelings-commissie op grond van het beoordelingskader meer dan de relevantie van de vraag had moeten beoordelen.
De herbeoordeling en de motivering
5.10.
Tussen partijen is niet in geschil dat voor de Derde Gunningsbeslissing een integrale herbeoordeling noodzakelijk was. De Staat heeft gesteld dat de beoordelingscommissies voor PvB I en III opnieuw bij elkaar gekomen zijn om in consensus tot een nieuwe beoordeling en waardering van de inschrijvingen te komen. Hierbij heeft de Staat gesteld dat de beoordelingscommissies vooraf geen kennis hebben genomen van de ranking en dat de inschrijvingen voor hen anoniem waren gebleven.
5.11.
Hoewel de voorzieningenrechter het begrijpelijk acht dat de sterke overeenkomsten tussen de Tweede en de Derde Gunningsbeslissing – waarbij de rangorde ongewijzigd is en in de motivering slechts één zin is toegevoegd – vragen oproepen over de wijze waarop de herbeoordeling heeft plaatsgevonden, is er geen grond om te twijfelen aan de verklaring van de Staat dat er – op basis van de eerdere bevindingen – een integrale herbeoordeling heeft plaatsgevonden. In dit verband is van belang dat de relevantie van de vragen slechts een beperkt onderdeel vormen van het beoordelingskader. Mogelijk hadden de beoordelings-commissies er beter aan gedaan, om de Derde Gunningsbeslissing te voorzien van een nieuw geformuleerde motivering, maar niet is aannemelijk dat dat inhoudelijk tot een andere uitkomst had geleid.
5.12.
Gelet op wat hiervoor is overwogen over het beoordelingskader, konden de beoordelingscommissies bij de beoordeling van de vragen in de herbeoordeling volstaan met de beoordeling van de relevantie ervan. Er is daarom geen grond voor de door Between gevorderde herbeoordeling. De motiveringsplicht van artikel 2.130 Aw 2012 gaat niet zover dat daarbij moet worden gemotiveerd waarom de vragen relevant zijn. Er is daarom ook geen grond voor de door Between gevorderde nieuwe motivering van de Derde Gunningsbeslissing.
Slotsom en proceskosten
5.13.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de Derde Gunningsbeslissing voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Er bestaat daarom geen aanleiding voor heraanbesteding, herbeoordeling of het opnieuw motiveren van de gunningsbeslissing. De vorderingen van Between worden dus afgewezen. In de omstandigheid dat de pas na dagvaarding door de Staat gegeven toelichting Between aanleiding heeft gegeven haar vordering te verminderen, zijn Between en de Staat te beschouwen als over en weer in het ongelijk gestelde partijen. Hierin ziet de voorzieningenrechter aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat Between en de Staat ieder hun eigen proceskosten dragen.
5.14.
Omdat de Staat voornemens is de Opdracht definitief te gunnen aan (onder meer) [tussengekomen partijen] brengt de afwijzing van de vorderingen van Between mee dat [tussengekomen partijen] geen belang (meer) heeft bij toewijzing van haar vordering, zodat deze wordt afgewezen.
[tussengekomen partijen] wordt veroordeeld in de kosten van de Staat. Deze kosten worden begroot op nihil, aangezien niet is gebleken dat de Staat als gevolg van de vorderingen van [tussengekomen partijen] extra kosten heeft moeten maken.
5.15.
Ondanks de afwijzing van de vordering van [tussengekomen partijen], wordt Between in haar verhouding tot [tussengekomen partijen] aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij. Het doel van [tussengekomen partijen] was immers om te voorkomen dat de Derde Gunningsbeslissing zou worden ingetrokken, welk doel is bereikt. Between wordt daarom als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [tussengekomen partijen] veroordeeld.
5.16.
De proceskosten van [tussengekomen partijen] worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.101,00
5.17.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing:

De voorzieningenrechter:
6.1.
wijst de vorderingen van Between en [tussengekomen partijen] af;
6.2.
veroordeelt [tussengekomen partijen] voor wat betreft de door haar ingestelde vordering in de proceskosten, aan de zijde van de Staat begroot op nihil;
6.3.
veroordeelt Between in de naar aanleiding van haar vorderingen gemaakte proceskosten voor [tussengekomen partijen] vastgesteld op € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Between niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
6.4.
veroordeelt Between tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
6.5.
compenseert de proceskosten voor het overige;
6.6.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling en de rente daarover uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2026.
WJ