ECLI:NL:RBDHA:2026:6327

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
25/3034
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • D. Overdijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.2.1 bestemmingsplanArt. 3.3.1 bestemmingsplanArt. 5.1 lid 1 aanhef en onder a OmgevingswetArt. 5.21 lid 2 aanhef en onder a en b OmgevingswetArt. 8.0a lid 2 Besluit kwaliteit leefomgeving
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering tijdelijke omgevingsvergunning koelcel vanwege strijd met omgevingsplan

Eisers hebben op 11 september 2024 een aanvraag ingediend voor een tijdelijke omgevingsvergunning voor het gebruik van een koelcel op een perceel in Den Haag. Het college van burgemeester en wethouders heeft deze aanvraag op 20 november 2024 afgewezen omdat de koelcel te dicht bij de bedrijfswoning staat en daarmee in strijd is met het omgevingsplan. Eisers maakten bezwaar, maar het college handhaafde het besluit op 14 april 2025. Vervolgens is beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank toetst het besluit aan het omgevingsplan, dat sinds 1 januari 2024 van kracht is en waarin het bestemmingsplan van vóór die datum is opgenomen. Volgens artikel 3.2.1 van het plan geldt een minimale afstand van 12,5 meter tussen bedrijfsgebouwen en woningen, terwijl de koelcel slechts 2,6 meter van de bedrijfswoning staat. Eisers stelden dat afwijking mogelijk is op grond van artikel 3.3.1, mits sprake is van een efficiënte en logistiek verantwoorde inrichting. De rechtbank volgt het college dat dit niet het geval is, omdat het perceel vrijwel geheel verhard is en nauwelijks functioneel voorterrein heeft.

Daarnaast voerden eisers aan dat de vergunning buitenplans verleend had kunnen worden. De rechtbank oordeelt dat het college in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat de omgevingsvergunning geweigerd mocht worden vanwege het ontbreken van een evenwichtige toedeling van functies, de negatieve invloed op het woon- en leefklimaat en de verkeersveiligheid. De stellingen van eisers over het ontbreken van geluidsoverlast en veiligheid zijn onvoldoende onderbouwd. Ook het feit dat de koelcel al langere tijd aanwezig is en er geen klachten zijn, weegt niet mee in de beoordeling.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om terugbetaling van griffierecht en proceskosten af. De uitspraak is gedaan door rechter D. Overdijk op 12 maart 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de tijdelijke omgevingsvergunning voor de koelcel wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/3034

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2026 in de zaak tussen

[eisers sub 1] en [eisers sub 2], uit [plaats], eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Westland, het college

(gemachtigden: mr. K. Kayadelen en mr. T. Bender).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van een omgevingsvergunning. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Volgens hen past het bouwplan binnen het omgevingsplan. Bovendien had de vergunning ook buitenplans verleend kunnen worden. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning mocht weigeren
.Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben op 11 september 2024 een aanvraag ingediend voor het tijdelijk legaliseren van een koelcel op het perceel aan [adres] in [plaats] (het perceel). Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 20 november 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 14 april 2025 op het bezwaar van eisers is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader
3. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op het perceel waar de vergunningsaanvraag op ziet, was vóór 1 januari 2024 het [bestemmingsplan 1] van kracht. Dat bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Den Haag (het omgevingsplan).
3.1.
Voor het overige toetsingskader verwijst de rechtbank naar de bijlage.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Op 12 februari 2013 heeft het college eisers een tijdelijke vergunning voor vijf jaar verleend voor het bouwen en gebruiken van de koelcel. Deze bouwactiviteit was in strijd met artikel 3.2.1, aanhef en onder f, van het toenmalig op het perceel geldende [bestemmingsplan 2], omdat de koelcel op een afstand van slechts 2,6 meter van de bedrijfswoning geplaatst was. De tijdelijke vergunning is door het college verleend om het bedrijf de gelegenheid te geven tot een geplande reconstructie. Op 23 januari 2023 is door een toezichthoudend ambtenaar een controle uitgevoerd op het perceel. Uit die controle is gebleken dat de koelcel nog steeds aanwezig is zonder dat daar vergunning voor is verleend en dat de verwachte reconstructie nooit is gerealiseerd. Om die reden heeft het college op 16 juni 2023 aan eisers een vooraankondiging verstuurd voor het opleggen van een last onder dwangsom van € 20.000.
4.1.
De aanvraag gaat over het gebruik van de koelcel voor een periode van tien jaar. Gevraagd is een omgevingsvergunning voor een ‘omgevingsplanactiviteit’ als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Omgevingswet (Ow). Het college heeft deze aanvraag op 20 november 2024 afgewezen op grond van artikel 5.21, tweede lid, aanhef en onder a en b, van de Ow. De koelcel is volgens het college in strijd met artikel 3.2.1, aanhef en onder f, van de planregels.
Is de aanvraag in strijd met het omgevingsplan?
5. Eisers voeren aan dat de vergunning verleend had moeten worden op basis van artikel 3.3.1, aanhef en onder l, van de planregels. Volgens dat artikel is afwijking van artikel 3.2.1 mogelijk als een efficiënte en logistiek verantwoorde inrichting dat noodzakelijk maakt. De plaatsing van de koelcel is volgens eisers noodzakelijk omdat geen andere plek voor de koelcel op het perceel mogelijk is. Om die reden past de aanvraag in het omgevingsplan.
5.1.
Het college stelt zich onder verwijzing naar het advies van de Commissie bezwaarschriften Westland op het standpunt dat de koelcel niet strookt met de noodzakelijkheidsvoorwaarde in artikel 3.3.1, aanhef en onder l, van de planregels. Van een efficiënte en logistiek verantwoorde inrichting is namelijk geen sprake, omdat het bedrijf nauwelijks over een functioneel voorterrein beschikt en het perceel, mede door de koelcel, vrijwel geheel verhard is. Bovendien wordt de minimale afstandsmaat van 12,50 meter fors overschreden.
5.2.
De rechtbank stelt vast dat de afstand tussen de koelcel en de woning 2,6 meter bedraagt, en dat de aanvraag daarom niet voldoet aan artikel 3.2.1, aanhef en onder f, van de planregels. Afwijken van dit artikel is mogelijk door middel van artikel 3.3.1, aanhef en onder l van de planregels. De rechtbank kan het college volgen in zijn stellingname dat geen sprake is van een efficiënte en logistiek verantwoorde inrichting, omdat op het perceel nauwelijks sprake is van een voorterrein en het perceel mede door de koelcel zo goed als geheel verhard is. Eisers hebben hun stelling dat de plaatsing van de koelcel op het perceel noodzakelijk is niet met concrete gegevens onderbouwd. Voor zover eisers betogen dat niet het college, maar de bewoner van de bedrijfswoning bepaalt of er sprake is van een efficiënte en logistiek verantwoorde inrichting, oordeelt de rechtbank dat het feit dat een van de eisers eigenaar is van het perceel alsook bewoner is van de bedrijfswoning, niet als gevolg heeft dat het college zijn bevoegdheid verliest.
5.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Mocht het college de aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit afwijzen?
6. Eisers voeren aan dat de vergunning voor de koelcel ook buitenplans verleend had kunnen worden. Zij bestrijden dat het perceel onoverzichtelijk zou zijn of dat er geen sprake zou zijn van een goed woon- en leefklimaat. Een van de eisende partijen is bewoner van de bedrijfswoning en ervaart geen geluidsoverlast van de koelcel of van het laden en lossen van vrachtwagens. Het gaat om een agrarische woning en het is gangbaar dat deze te midden van kassen staat.
6.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het in dit geval niet mogelijk is om van het omgevingsplan af te wijken, omdat er geen sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan de locatie. De leefbaarheid in de bedrijfswoning komt in het gedrang, nu de koelcel direct naast de bedrijfswoning ligt en geluidhinder veroorzaakt evenals de vrachtwagens die langs de bedrijfswoning rijden om te kunnen laden en lossen. Daarnaast is de veiligheid niet gewaarborgd doordat er een minimale manoeuvreerruimte op het perceel is door het onoverzichtelijke pad. De bedrijfswoning is verder mede door de koelcel aan alle kanten ingebouwd. Het verlenen van de vergunning zou bovendien een ongewenste precedentwerking hebben.
6.2.
De rechtbank overweegt dat het begrip ‘evenwichtige toedeling’ in het Besluit kwaliteit leefomgeving niet nader is omschreven. Beoogd is om aan te sluiten bij het criterium ‘goede ruimtelijke ordening’ dat gold onder de Wet ruimtelijke ordening en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Het bevoegd gezag heeft op dit punt beleidsruimte. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, maar beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening of weigering van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
6.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in redelijkheid kunnen concluderen dat niet voldaan wordt aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en heeft het de omgevingsvergunning mogen weigeren. De koelcel zelf en het vrachtverkeer van en naar de cel veroorzaken extra geluid. Daarnaast heeft het college op basis van de minimale manoeuvreerruimte op het perceel kunnen concluderen dat de verkeersveiligheid niet wordt gewaarborgd. De rechtbank volgt het college dan ook in zijn conclusie dat de koelcel volgens het college een negatieve invloed heeft op het woon- en leefklimaat ter plaatse van de bedrijfswoning op het perceel. De stelling van eisers dat de veiligheid wel degelijk wordt gewaarborgd en dat geen sprake is van geluidsoverlast, is niet onderbouwd.
6.4.
De beroepsgrond slaagt niet.
Is sprake van een gebrekkige belangenafweging?
7. Eisers betogen dat het college ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat de koelcel er al enige tijd staat en dat er nooit een klacht is ingediend over de koelcel.
7.1.
De rechtbank overweegt dat de duur van aanwezigheid van de koelcel geen onderdeel uitmaakt van de beoordeling van een aanvraag. Hetzelfde geldt voor het feit dat nooit een klacht is ingediend tegen de koelcel.
7.2.
De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Overdijk, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Raben, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE
Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, is het verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.
Ingevolge artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Ter plaatse geldt de bestemming ‘Agrarisch – Glastuinbouw’.
Ingevolge artikel 3.2.1, aanhef en onder f, van het bestemmingsplan geldt voor een kas, bedrijfsgebouw en overige bedrijfsgebouwwerken een minimale afstand van 12,5 meter tot het hoofdgebouw van een woning.
Ingevolge artikel 3.3.1, aanhef en onder l, van het bestemmingsplan kan van de minimale afstand van 12,5 meter tussen een kas, bedrijfsgebouw of overige bedrijfsbouwwerken en het hoofdgebouw van een woning worden afgeweken mits een efficiënte en logistiek verantwoorde inrichting dat noodzakelijk maakt.