Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6326

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
C/09/696394 / KG ZA 25-1255
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWAanbestedingswet 2012
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen tot heraanbesteding en herbeoordeling ICT-aanbesteding DUO

Sogeti Nederland B.V. heeft een kort geding aangespannen tegen de Staat der Nederlanden inzake een Europese openbare aanbesteding voor tijdelijke inhuur van ICT-professionals ten behoeve van DUO. Sogeti vordert onder meer dat de Staat wordt verboden de opdracht op basis van de Derde Gunningsbeslissing te gunnen en primair de aanbestedingsprocedure te herstarten.

De aanbestedingsprocedure kende drie Proeven van Bekwaamheid (PvB I, II en III) met een beoordelingskader dat de economisch meest voordelige inschrijving moest bepalen. Na fouten in de Eerste Gunningsbeslissing volgden een Tweede en Derde Gunningsbeslissing, waarbij Sogeti telkens lager scoorde en niet voor gunning in aanmerking kwam.

De voorzieningenrechter oordeelt dat het beoordelingskader objectief is en dat verschillen tussen gunningsbeslissingen verklaarbaar zijn door herbeoordelingen door nieuwe commissies. De door Sogeti gestelde beoordelingsfouten zijn onvoldoende aannemelijk gemaakt en de inhoudelijke kritiek op de scores wordt niet als onbegrijpelijk of gebrekkig beoordeeld.

De vorderingen van Sogeti worden afgewezen, evenals de vorderingen van de tussenkomende partijen. Sogeti wordt veroordeeld in de proceskosten van de Staat en de tussenkomende partijen. Er wordt geen beslissing genomen over de verstrekking van ongecensureerde processtukken aan de tussenkomende partijen.

Uitkomst: De vorderingen van Sogeti tot heraanbesteding en herbeoordeling worden afgewezen en Sogeti wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel - voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/09/696394 / KG ZA 25-1255
Vonnis in kort geding van 20 maart 2026
in de zaak van
SOGETI NEDERLAND B.V.te Utrecht,
eiseres,
hierna te noemen: Sogeti,
advocaten: mr. M.B. Klijn en mr. O de Wit,
tegen
DE STAAT DER NEDERLANDEN (het ministerie van Economische Zaken en Klimaat, meer in het bijzonder de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland)
te Den Haag,
gedaagde,
hierna te noemen: de Staat,
advocaten: mr. D. Wolters Rückert en mr. A.P.M. Waaijer,
waarin zijn tussengekomen.
[partij A] B.V.te [vestigingsplaats],
[partij B]te [vestigingsplaats],
hierna samen te noemen: [tussengekomen partijen]
advocaten: mr. A.J. van de Watering en mr. R. van den Brink.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 22 december 2025, met producties;
- de conclusie van antwoord, met producties.
- de incidentele conclusie tot tussenkomst subsidiair voeging van [tussengekomen partijen].
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 februari 2026. Dit was een gevoegde mondelinge behandeling met het kort geding met kenmerk C/09/696478 KG ZA 25-1262, dat gaat over dezelfde aanbestedingsprocedure die ook onderwerp van dit kort geding is.
1.3.
De advocaten van Sogeti en [tussengekomen partijen] hebben ter zitting het woord gevoerd aan de hand van pleitnotities. Deze pleitnotities maken deel uit van het dossier.
1.4.
In de aanloop naar dit kort geding heeft Sogeti geweigerd om ongecensureerde stukken aan [tussengekomen partijen] ter beschikking te stellen. Daarnaast heeft zij de Staat geen toestemming gegeven om de gehele conclusie van antwoord te delen met [tussengekomen partijen]. Bij brief van 26 februari 2026 heeft [tussengekomen partijen] de voorzieningenrechter verzocht om voorafgaand aan de mondelinge behandeling te bevelen dat Sogeti de Staat alsnog toestemming geeft om de integrale conclusie van antwoord te verstrekken en te oordelen dat de zaak slechts wordt beoordeeld op basis van de gecensureerde dagvaarding waarover [tussengekomen partijen] beschikt. De voorzieningenrechter heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling niet op dit verzoek beslist.
1.5.
Na hun toelating als tussenkomende partij heeft [tussengekomen partijen] opnieuw bezwaar gemaakt tegen de manier waarop Sogeti de processtukken ter beschikking heeft gesteld. Desgevraagd hebben Sogeti en de Staat verklaard dat er recht moet worden gedaan op gehele, ongecensureerde, dossier. De voorzieningenrechter heeft vervolgens beslist dat over de verstrekking van de ongecensureerde processtukken zo nodig in dit vonnis wordt beslist.
1.6.
Vonnis is bepaald op vandaag.

2.Het incident tot tussenkomst

2.1.
[tussengekomen partijen] heeft gevorderd in de procedure tussen Sogeti en de Staat te mogen tussenkomen, dan wel zich te mogen voegen aan de zijde van de Staat. Sogeti en de Staat hebben verklaard hiertegen geen bezwaar te hebben. In verband met de nadelige gevolgen die [tussengekomen partijen] van een uitspraak in de hoofdzaak kunnen ondervinden, heeft zij voldoende belang om zich te mengen in dit kort geding. Niet gebleken is dat de inmenging van [tussengekomen partijen] aan een voortvarende afdoening van dit geschil in kort geding in de weg staat. Aangezien [tussengekomen partijen] in de hoofdzaak een (voorwaardelijke) vordering heeft ingesteld, is zij toegelaten als tussenkomende partij.

3.De feiten

3.1.
Op 3 mei 2024 heeft het Inkoop Uitvoering Centrum EZK (hierna: IUC-EZK) namens de Staat de aankondiging gedaan voor de een Europese openbare aanbesteding voor de tijdelijke inhuur van ICT-Professionals ten behoeve van de Dienst Uitvoering Onderwijs en ODC-Noord (hierna samen DUO). Op de aanbestedingsprocedure is de Aanbestedingswet 2012 (Aw 2012) van toepassing.
3.2.
Het doel van de aanbesteding is om ten behoeve van DUO met acht inschrijvers een raamovereenkomsten te sluiten voor de tijdelijke inhuur van ICT-professionals. De Raamovereenkomsten hebben een maximale looptijd van vier jaar en drie maanden en een geraamde totale opdrachtwaarde van € 280 miljoen exclusief btw.
3.3.
In de periode vanaf 2020 heeft het IUC-EZK meerdere vergelijkbare aanbestedingsprocedures gehouden voor de inhuur van ICT-personeel ten behoeve van diverse overheidsonderdelen.
3.4.
De aanbestedingsprocedure en de te gunnen opdracht (hierna: de Opdracht) is nader omschreven in het Aanbestedingsdocument van 1 mei 2024 (hierna: het Aanbestedingsdocument), met bijlagen, waaronder Bijlage 6.1a Procesbeschrijving PvB Werving en Selectie I en III (hierna: Procesbeschrijving PvB I en III) en Bijlage 6.2a Procesbeschrijving PvB II Opdrachtomschrijving (hierna: Procesbeschrijving PvB II).
3.5.
Het gunningscriterium is de economisch meest voordelige inschrijving op basis van de beste prijs-kwaliteitverhouding. De kwalitatieve criteria bestaan uit drie Kwaliteitswensvragen elk in de vorm van een Proeve van Bekwaamheid (hierna: PvB), waarbij aan de inschrijvers een casus ter beschikking werd gesteld, die door hen moest worden beantwoord. De gegeven antwoorden werden per PvB door een aparte beoordelingscommissie beoordeeld aan de hand van in het Aanbestedingsdocument opgenomen beoordelingskader.
3.6.
In paragraaf 5.3 van het Aanbestedingsdocument staat (verdeeld over twee pagina’s) het volgende gunningsmodel:
3.7.
In paragraaf 5.4 van het Aanbestedingsdocument staat (verdeeld over twee pagina’s) de volgende beoordelings- en waarderingsmaatstaf:
3.8.
De doelstelling van PvB I en PvB III was dat de inschrijvers geschikte “best-passende” kandidaten aanbieden die in aanmerking zouden kunnen komen voor een selectiegesprek. Voor deze Proeven ontving de inschrijver een casus, waarna hij de gelegenheid kreeg om anoniem zeven vragen te stellen, die door het IUC-EZK per inschrijver werden beantwoord. Daarna moest de inschrijver zijn bevindingen beschrijven om te laten zien dat hij de casus doorgrondt en moest hij de twee anonieme en waarheidsgetrouwe cv’s aanleveren, waarvan hij denkt dat deze de best passende zijn.
3.9.
In de Procesbeschrijving PvB I en PvB III staat onder “Algemeen” de volgende doelstelling:

Vaststellen in welke mate de Inschrijver de opdrachtomschrijving doorgrondt.
Vaststellen in welke mate Inschrijver geschikte, best-passende Kandidaten
aanbiedt, die in aanmerking zouden kunnen komen voor een selectiegesprek.
De Aanbestedende dienst beoordeelt de gestelde vragen en de antwoorden van
de Proeve op de in het Aanbestedingsdocument beschreven wijze (zie ook
hoofdstuk 5 van het Aanbestedingsdocument).
3.10.
Over het stellen van de vragen staat in Procesbeschrijving PvB I en PvB III onder “Inlichtingen” het volgende:
3.11.
Met PvB II wilde het IUC-EZK toetsen of de inschrijver aan de hand van een opdrachtomschrijving in staat is om de juiste eigenschappen (eisen, wensen, kennis, vaardigheden, competenties en ervaring) te destilleren waaraan de te selecteren ICT expert moet voldoen. In de Procesbeschrijving PvB II staat hierover het volgende:
3.12.
Voor de aanbesteding hebben zich voor de uiterste inschrijftermijn van 2 juli 2024 vijftien partijen ingeschreven, onder wie Sogeti en [tussengekomen partijen]. Na publicatie van PvB I en PvB III heeft Sogeti gebruik gemaakt van de mogelijkheid om vragen te stellen.
3.13.
Op 20 december 2024 heeft het IUC-EZK de eerste gunningsbeslissing (hierna: de Eerste Gunningsbeslissing) bekend gemaakt. In deze gunningsbeslissing was Sogeti als eerste geëindigd met op PvB I en PvB III de maximale score (uitstekend), op PvB II een voldoende en daarmee een totaalscore op het onderdeel kwaliteit van 780/900 punten.
3.14.
In de motivering van de score van Sogeti in de Eerste Gunningsbeslissing staat onder meer het volgende:

Sogeti heeft optimaal gebruik gemaakt van de gelegenheid om (...) zeven relevante vragen te stellen en om de verkregen antwoorden op kenbare wijze in de uitwerking te betrekken”.
3.15.
Naar aanleiding van de Eerste Gunningsbeslissing hebben drie inschrijvers een kort geding aanhangig gemaakt tegen de Staat, waarin zij bezwaren hebben gemaakt tegen de beoordeling van de kwalitatieve criteria.
3.16.
Bij brief van 28 februari 2025 heeft het IUC-EZK aan de inschrijvers meegedeeld dat er fouten zijn gemaakt in de beoordeling van alle drie de kwaliteitswensvragen en dat hij daarom overgaat tot intrekking van de gunningsbeslissing. Het IUC-EZK heeft daarom de gunningsbeslissing ingetrokken en aangekondigd over te gaan tot herbeoordeling van alle inschrijvingen op alle drie de kwaliteitswensvragen en dat die herbeoordeling zal worden uitgevoerd door nieuwe beoordelingscommissies.
3.17.
Op 3 oktober 2025 heeft de Staat de tweede gunningsbeslissing (hierna: de Tweede Gunningsbeslissing) bekend gemaakt. In deze gunningsbeslissing is Sogeti als elfde geëindigd, waardoor zij niet voor gunning in aanmerking komt. Sogeti heeft op PvB I en PvB II een voldoende gescoord, op PvB III een goed en daarmee een totaalscore op het onderdeel kwaliteit van 590/900 punten.
3.18.
Op 10 oktober 2025 heeft er een toelichtend gesprek plaatsgevonden tussen Sogeti en het IUC-EZK.
3.19.
Bij brief van 17 oktober 2025 heeft Sogeti bezwaar gemaakt tegen de Tweede Gunningsbeslissing en het IUC-EZK verzocht om op een achttal punten toelichting te geven. Sogeti heeft hierbij onder meer gevraagd of de door haar in het kader van PvB I en PvB III gestelde vragen zijn meegenomen in de beoordeling. Daarnaast heeft zij inhoudelijke bezwaren gemaakt tegen de beoordeling van PvB I, II en III.
3.20.
Op 20 oktober 2025 heeft het IUC-EZK aan de inschrijvers meegedeeld dat hij in verband met nieuwe bezwaren van twee inschrijvers de rechtsbeschermingstermijn tot nader order opschort.
3.21.
Bij brief van 2 december 2025 heeft het IUC-EZK de bezwaren van Sogeti van de hand gewezen. In deze brief staat onder meer het volgende:

Zoals u in uw brief noemt, mochten inschrijvers bij de kwaliteitswensvragen I en III maximaal zeven enkelvoudige vragen stellen aan DUO. De antwoorden op die vragen konden inschrijvers bij hun bevindingen bij de casus betrekken.
In “Bijlage 6.1a Procesbeschrijving PvB Werving en Selectie I en III” is opgenomen dat de vragen die de inschrijver stelt, meewegen in de beoordeling en waardering van de ingediende uitwerking. Het gaat dan om de relevantie van de vraag.
De beoordelingscommissies voor kwaliteitswensvragen I en III hebben beoordeeld in welke mate de inschrijver de opdrachtomschrijving doorgrondt en in welke mate de inschrijver geschikte, best-passende kandidaten aanbiedt, die in aanmerking zouden kunnen komen voor een selectiegesprek. Bij de herbeoordeling is de relevantie van de gestelde vragen per abuis niet betrokken.
Die omissie is inmiddels hersteld. De beoordelingscommissies van de Wensen 1 en 3, die geen kennis hebben genomen van de ranking en voor wie de inschrijvingen anoniem zijn gebleven, hebben de gestelde vragen alsnog laten meewegen in de beoordeling en waardering van de ingediende uitwerking. Het resultaat daarvan is opgenomen in een nieuwe gunningsbeslissing die voor de gunningsbeslissing van 3 oktober in de plaats treedt.
3.22.
Op 2 december 2025 heeft het IUC-EZK aan de inschrijvers meegedeeld dat de Tweede Gunningsbeslissing wordt ingetrokken en gelijktijdig de nieuwe Gunningsbeslissing (hierna: de Derde Gunningsbeslissing) bekend gemaakt. De Derde Gunningsbeslissing komt voor wat betreft de rangorde overeen met de Tweede Gunningsbeslissing. Ook in deze gunningsbeslissing is Sogeti als elfde geëindigd met een totaalscore op het onderdeel kwaliteit van 590/900 punten. De motivering van de gunningsbeslissing voor Sogeti komt overeen met de motivering van de Tweede Gunningsbeslissing, met dien verstande dat daaraan bij PvB I en PvB III de volgende zin is toegevoegd: “
De vragen die u heeft gesteld zijn als relevant beoordeeld”.

4.Het geschil

4.1.
Sogeti vordert – samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
in alle gevallen:
1. De Staat te verbieden om de Opdracht op basis van de Derde Gunningsbeslissing te gunnen;
primair:
2. De Staat te gebieden om de aanbestedingsprocedure te staken en gestaakt te houden en, indien en voor zover hij de Opdracht nog wenst te gunnen, de Staat te gebieden de Opdracht opnieuw aan te besteden;
subsidiair:
3. De Staat te gebieden om alle inschrijvingen anoniem te laten herbeoordelen door volledig nieuwe deskundige beoordelingscommissies;
in alle gevallen met veroordeling van de Staat in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.2.
Sogeti legt aan de vordering het volgende ten grondslag.
Het beoordelingskader is onvoldoende objectief en daarom ondeugdelijk. Dit volgt uit het feit dat de Eerste en de Tweede Gunningsbeslissing een zeer uiteenlopend resultaat hebben en dat de afzonderlijke beoordelingscommissies het beoordelingskader niet zonder wezenlijke fouten hebben kunnen toepassen. In de Derde Gunningsbeslissing zijn de door Sogeti gestelde vragen onvoldoende meegewogen. De scores en de motivering van de Tweede Gunningsbeslissing zijn na de herbeoordeling (nagenoeg) hetzelfde gebleven, waardoor de Derde Gunningsbeslissing in de kern identiek is aan de Tweede Gunningsbeslissing. Hiermee heeft de Staat een te beperkte en onhoudbare uitleg gegeven aan het beoordelingskader.
Daarnaast zijn er fouten gemaakt in de beoordeling van de inschrijving van Sogeti op PvB 1, PvB 2 en PvB 3.
Gelet op het voorgaande, dient de Derde Gunningsbeslissing te worden ingetrokken. Mede gelet op het tijdsverloop en de gemaakte fouten, moet de Staat primair overgaan tot heraanbesteding van de Opdracht en subsidiair tot herbeoordeling van alle inschrijvingen.
4.3.
De Staat voert verweer. De Staat concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Sogeti, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Sogeti, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Sogeti in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.4.
[tussengekomen partijen] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de Staat te gebieden – voor zover hij de Opdracht nog wenst te vergeven – de Opdracht definitief te gunnen overeenkomstig de Derde Gunningsbeslissing en over te gaan tot het sluiten van de raamovereenkomst met [tussengekomen partijen], met veroordeling van Sogeti in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.5.
Aan deze vordering legt [tussengekomen partijen] ten grondslag dat zij er belang bij heeft dat de Opdracht definitief aan haar wordt gegund en dat zij daarom belang heeft bij afwijzing van de vorderingen van Sogeti en handhaving van de gunningsbeslissing.
4.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
Tussen partijen is in geschil of het de Staat moet worden verboden om de Opdracht op basis van de Derde Gunningsbeslissing te gunnen. Indien dat het geval is moet worden beoordeeld of de vorderingen tot heraanbesteding, dan wel herbeoordeling toewijsbaar zijn.
5.2.
De vorderingen van Sogeti zijn in de eerste plaats gebaseerd op haar stelling dat het beoordelingskader van de aanbestedingsprocedure onvoldoende objectief is. Daarnaast heeft zij gesteld dat de door haar in het kader van PvB I en III gestelde vragen onvoldoende zijn meegewogen in de tweede herbeoordeling. Ten slotte heeft zij inhoudelijke bezwaren gemaakt tegen de beoordeling van haar inschrijving op PvB I, II en III.
Het beoordelingskader is voldoende objectief
5.3.
Sogeti kan niet worden gevolgd in haar betoog dat het beoordelingskader onvoldoende objectief en daarmee ondeugdelijk is. Dit volgt in ieder geval niet zonder meer uit het verschil in uitkomst tussen de Eerste en de Tweede Gunningsbeslissing. Aangezien de Staat erop heeft gewezen dat in de eerste beoordeling bij alle drie de Kwaliteits-wensvragen fouten zijn gemaakt in de toepassing van het beoordelingskader en de beoordeling zelf en de nieuwe beoordeling is gedaan door nieuwe beoordelingscommissies, is het niet verwonderlijk dat er aanmerkelijke verschillen zijn tussen de Eerste en de Tweede Gunningsbeslissing. Daar komt bij dat de Staat naar voren heeft gebracht dat de scores van de vijftien inschrijvers dicht bij elkaar lagen, zodat een verschil in de beoordeling van een van de Kwaliteitswensvragen grote gevolgen kan hebben op de uitkomst. Sogeti heeft dit niet weersproken. Verder merkt de voorzieningenrechter op dat indien ook in de Derde Gunningsbeslissing fouten zouden zijn gemaakt, dat niet zonder meer tot de conclusie leidt dat de aanbestedingsprocedure moet worden gestaakt. Het is in dat geval aan de Staat als aanbestedende dienst om te beslissen over herbeoordeling, dan wel heraanbesteding. Dat kan anders zijn indien het beoordelingskader gebrekkig is, maar dat is niet aannemelijk geworden. Dit geldt temeer, omdat het beoordelingskader in grote lijnen overeenkomt met dat in vergelijkbare aanbestedingen.
Beoordelingskader voor de vragen
5.4.
Voor PvB I en III kregen de inschrijvers een casus die bestond uit een opdracht om kandidaten te leveren. Hierover mocht iedere inschrijver anoniem zeven vragen stellen, die door het IUC-EZK werden beantwoord. Vervolgens moest de inschrijver in zijn antwoord laten zien dat hij de casus heeft doorgrond, waarbij hij ook twee cv’s moest aanleveren.
5.5.
Het antwoord op de vraag hoe de door de inschrijvers gestelde vragen moesten worden beoordeeld, moet in beginsel worden afgeleid uit hetgeen een redelijk geïnformeerde en normaal zorgvuldige inschrijver geacht moet worden uit het Aanbestedingsdocument (inclusief bijlagen) te hebben begrepen. Op grond van het transparantiebeginsel moet bij de uitleg van de bepalingen van aanbestedingstukken de zogenoemde CAO-norm worden toegepast. Dit betekent dat deze bepalingen naar objectieve maatstaven dienen te worden uitgelegd en dat de bewoordingen van die bepalingen, gelezen in het licht van de gehele tekst van de aanbestedingstukken, van doorslaggevende betekenis zijn. Het beoordelingskader van vergelijkbare aanbestedingsprocedures is hierbij in beginsel niet relevant.
5.6.
De Staat heeft gesteld dat de na de Eerste Gunningsbeslissing ingestelde beoordelingscommissies er – mogelijk door een verschil met vergelijkbare aanbestedingen – ten onrechte van zijn uitgegaan dat de door de inschrijvers gestelde vragen niet in de beoordeling mochten worden betrokken. Hoe dit heeft kunnen gebeuren is niet duidelijk geworden. Tussen partijen is niet in geschil dat dit een beoordelingsfout betreft, omdat in de Procesbeschrijving PvB I en III op twee plaatsen (zie 3.9 en 3.10) is voorgeschreven dat de vragen juist wel worden meegewogen. Deze omissie kon hersteld worden in een derde gunningsbeslissing. Hierbij is niet van belang dat deze omissie er in de Eerste Gunningsbeslissing kennelijk niet was.
5.7.
In de Procesbeschrijving PvB I en III staat onder “Algemeen” dat de gestelde vragen en de antwoorden van de Proeve worden beoordeeld “
op de in het Aanbestedingsdocument beschreven wijze”, waarbij wordt verwezen naar hoofdstuk 5 van het Aanbestedingsdocument. In paragraaf 5.4 van het Aanbestedingsdocument staat de beoordelings- en waarderingsmaatstaf met de daar vermelde beoordelingscriteria: volledig/compleet, relevant, concreet, effectief, toetsbaar (zie 3.7). Opvallend is dat bij deze criteria zelf uitsluitend lijken te zien op de door de inschrijvers gegeven antwoorden, omdat het steeds gaat om “
de antwoorden op de gestelde wensvragen” of “
de antwoorden”. Het is daarmee niet meteen duidelijk hoe dit beoordelingskader op de door de inschrijvers gestelde vragen kan worden toegepast. Hoofdstuk 5 bevat geen specifieke instructie voor de beoordeling van die vragen. Hierdoor zou enige twijfel kunnen rijzen over de wijze waarop de vragen moeten worden beoordeeld. Deze twijfel wordt evenwel weggenomen door de tweede passage in de Procesbeschrijving PvB I en III (zie 3.10), waar staat dat de gestelde vragen meewegen in de beoordeling en waardering van de ingediende uitwerking met daarachter tussen haken “
relevantie van de vraag”. Deze uitleg, waarbij de vragen als onderdeel van het totaal meewegen bij de beoordeling van de uitwerking (het antwoord op de casus) en uitsluitend worden beoordeeld op relevantie, sluit aan op de passage onder “Algemeen” en op het beoordelingskader in hoofdstuk 5 van het Aanbestedingsdocument. Dit is ook een logische uitleg, omdat de PvB’s nu juist zien op het aanbieden van passende kandidaten, waarbij het stellen van vragen een hulpmiddel is, waarvan het resultaat terug zou moeten komen in het gegeven antwoord.
De herbeoordeling
5.8.
Tussen partijen is niet in geschil dat voor de Derde Gunningsbeslissing een integrale herbeoordeling noodzakelijk was. De Staat heeft naar voren gebracht dat de beoordelingscommissies voor PvB I en III opnieuw bij elkaar gekomen zijn om in consensus tot een nieuwe beoordeling en waardering van de inschrijvingen te komen. Hierbij heeft de Staat benadrukt dat de beoordelingscommissies vooraf geen kennis hebben genomen van de ranking en dat de inschrijvingen voor hen anoniem waren gebleven.
5.9.
Hoewel de voorzieningenrechter het begrijpelijk acht dat de sterke overeenkomsten tussen de Tweede en de Derde Gunningsbeslissing – waarbij de rangorde ongewijzigd is en in de motivering slechts één zin is toegevoegd – vragen oproepen over de wijze waarop de herbeoordeling heeft plaatsgevonden, is er geen grond om te twijfelen aan de verklaring van de Staat dat er – op basis van de eerdere bevindingen – een integrale herbeoordeling heeft plaatsgevonden. In dit verband is van belang dat de relevantie van de vragen – naast de uitwerking ervan in de antwoorden – slechts een beperkt onderdeel vormen van het beoordelingskader. Mogelijk hadden de beoordelingscommissies er beter aan gedaan, om de Derde Gunningsbeslissing te voorzien van een nieuw geformuleerde motivering, maar niet is aannemelijk dat dat inhoudelijk tot een andere uitkomst had geleid.
5.10.
Gelet op wat hiervoor is overwogen over het beoordelingskader, konden de beoordelingscommissies bij de beoordeling van de vragen in de herbeoordeling volstaan met de beoordeling van de relevantie ervan. Er is daarom geen grond voor de door Sogeti op dit punt gevorderde herbeoordeling.
Inhoudelijke bezwaren
5.11.
Een ander deel van de subsidiaire vordering van Sogeti is gebaseerd op haar stelling dat de beoordelingscommissie fouten heeft gemaakt bij de beoordeling van de kwalitatieve subgunningscriteria PvB I, II en III. Bij de beoordeling van deze stelling is het volgende van belang. Volgens vaste jurisprudentie heeft de voorzieningenrechter bij de toetsing van kwalitatieve criteria slechts een beperkte beoordelingsvrijheid. De voorzieningenrechter moet in beginsel uitgaan van de deskundigheid van de aangewezen beoordelingscommissie, terwijl bedacht moet worden dat de rechter geen deskundigheid bezit op het gebied van het onderwerp van de Opdracht en dus geen deskundigenoordeel kan geven over de uitkomst van de beoordeling. Slechts wanneer de beoordeling onbegrijpelijk is gemotiveerd of wanneer er sprake is van procedurele of inhoudelijke onvolkomenheden van wezenlijke aard die meebrengen dat de beoordeling gebrekkig is, is plaats voor ingrijpen door de rechter. Hierbij ligt het op de weg van Sogeti als inschrijver om dergelijke tekortkomingen aannemelijk te maken. Dit kader is tussen partijen niet in geschil.
5.12.
In haar betoog heeft Sogeti een aantal keer verwezen naar de uitkomst en de motivering van de Eerste Gunningsbeslissing. De Eerste Gunningsbeslissing en de motivering ervan is evenwel in beginsel niet van belang voor de beoordeling van de Derde Gunningsbeslissing, omdat de Tweede (en Derde) Gunningsbeslissing nu juist zijn ingegeven door beoordelingsfouten in de Eerste Gunningsbeslissing. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft Sogeti onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er tekortkomingen zijn van wezenlijke aard die meebrengen dat de beoordeling zodanig gebrekkig is dat herbeoordeling is aangewezen. Dit wordt hierna per PvB toegelicht.
PvB I
5.13.
Voor PvB I dienden de inschrijvers twee cv’s aan te leveren van kandidaten die het beste bij de uitvraag zouden passen en die in aanmerking zouden komen voor een selectiegesprek. Het betrof het functieprofiel van een ontwikkelaar/allround Java Developer. In de uitvraag waren drie eisen en twaalf wensen geformuleerd. Een van de eisen ziet op werkervaring als Senior Java Developer; een van de wensen ziet op werkervaring met de software Kafka. De beoordelingscommissie heeft het antwoord van Sogeti op PvB I beoordeeld met een “voldoende”. De beoordelingscommissie heeft geoordeeld dat Kandidaat 1 van Sogeti wel en Kandidaat 2 niet zou worden uitgenodigd voor een gesprek. De door de beoordelingscommissie gegeven inhoudelijke kritiekpunten zien onder meer op de gewenste werkervaring met Kafka bij beide kandidaten en de geëiste werkervaring als Senior Java Developer bij Kandidaat 2. Sogeti heeft tegen deze kritiekpunten bezwaar gemaakt. De overige kritiekpunten met betrekking tot de door Sogeti bepaalde normscore heeft Sogeti onweersproken gelaten.
5.14.
Sogeti heeft zich op het standpunt gesteld dat het ontbreken van de gewenste werkervaring met Kafka haar te zwaar is aangerekend. Volgens Sogeti betrof het slechts een wens en heeft zij bovendien alternatieve werkervaring aangeboden. De Staat heeft terecht naar voren gebracht dat het niet (concreet) voldoen aan een wens, logischerwijs kan leiden tot een lagere score. De Staat heeft verder betwist dat de door Sogeti aangeboden alternatieve werkervaring vergelijkbaar is met de gewenste werkervaring met Kafka. Ter zitting heeft Sogeti gesteld dat zij op basis van het antwoord op de door haar gestelde vragen mocht aannemen dat de gewenste werkervaring met Kafka niet zwaar zou wegen. De Staat heeft dit gemotiveerd betwist en ter zitting verklaard dat uit het antwoord juist ondubbelzinnig bleek dat de wens onveranderd bleef. In de door Sogeti aangeleverde cv’s staat niets over ervaring met Kafka. Het oordeel van de beoordelingscommissie dat dit haar antwoord minder concreet en minder toetsbaar maakt, acht de voorzieningenrechter niet onbegrijpelijk. Hoewel het vervolgens wel op haar weg lag, heeft Sogeti niet aannemelijk gemaakt waarom zij mocht aannemen dat het ontbreken van (aantoonbare) werkervaring met Kafka haar niet zou worden aangerekend.
5.15.
Sogeti heeft zich op het standpunt gesteld dat haar Kandidaat 2 wel aantoonbare relevante werkervaring heeft met Java. Zij heeft daartoe verwezen naar de cv van Kandidaat 2 waaruit zou moeten volgen dat deze inhoudelijk voldeed aan de werkzaamheden van wat het IUC-EZK een Senior Java Developer noemt. In de conclusie van antwoord heeft de Staat erop gewezen dat gevraagd werd naar een kandidaat met werkervaring in een seniorfunctie en dat die ervaring niet uit het gegeven antwoord kon worden afgeleid. De Staat heeft er hierbij onder meer op gewezen dat uit de van de kandidaat opgegeven werkervaring niet kon worden afgeleid dat het om seniorfuncties ging en dat hij het ongeloofwaardig acht dat de betreffende kandidaat slechts twee maanden na afronding van zijn Hbo-opleiding al een seniorfunctie bekleedde. Ter zitting heeft Sogeti verklaard dat zij werkervaring als “
fullstack-ontwikkelaar” als voor de functie relevante werkervaring beschouwde, maar zij heeft tegenover de verweren van de Staat en [tussengekomen partijen] niet aannemelijk gemaakt dat dit ook de gevraagde seniorervaring betreft. Verder heeft Sogeti verklaard dat de kandidaat al vóór zijn afstuderen een seniorfunctie bekleedde, maar dat dit zo is, volgt niet aantoonbaar uit het cv. Het oordeel van de beoordelingscommissie dat Kandidaat 2 niet
lijktte voldoen aan de gestelde eis, acht de voorzieningenrechter dan ook niet onbegrijpelijk.
5.16.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft Sogeti dan ook niet aannemelijk gemaakt dat zij op PvB I een hogere score had moeten krijgen.
PvB II
5.17.
Voor PvB II dienden de inschrijvers een functieprofiel op te stellen, aan de hand waarvan werd getoetst of de inschrijver in staat is uit een opdrachtomschrijving de juiste eigenschappen te destilleren waaraan de selecteren ICT-expert moet voldoen. Hiertoe diende de inschrijver zijn bevindingen te beschrijven, waarmee hij moest laten zien dat hij de casus heeft doorgrond en daarnaast moest hij de benodigde eisen, wensen, kennis en competenties beschrijven die gesteld zouden moeten worden om voor de beschreven aanvraag het juiste functieprofiel op te stellen (zie 3.11). In PvB II werd gevraagd naar een expert verander- en implementatiemanagement. De beoordelingscommissie heeft dit onderdeel van de inschrijving van Sogeti beoordeeld met een “voldoende”. In de motivering van de Derde Gunningsbeslissing staat hierover onder meer het volgende:
“ (...)
U geeft een concrete samenvatting van de casus waarin u in voldoende mate aandacht schenkt aan het belang van privacy en compliance en de zachte kant van implementatie. Uw bevinding dat het meekrijgen van organisaties in een verandertraject voorop staat, sluit aan bij de doelstelling (draagvlak organiseren). U gaat echter slechts beperkt concreet in op de oorzaak van de weerstand en wat dat zou kunnen betekenen voor het functieprofiel. Voorts noemt u wel dat de kandidaat als Trusted Advisor behoeftes en bezwaren in kaart dient te brengen, maar licht u in uw bevindingen slechts beperkt concreet toe wat dat betekent voor het functieprofiel.
Uit uw overzicht van eisen, wensen, kennis, ervaring en competenties blijkt onder punt 16 dat u voor het in kaart brengen van behoeftes en bezwaren ervaring met consultancy van belang vindt. Die ervaring heeft u echter slechts als “overige functiewens” opgenomen en niet als vereiste ervaring. Hoewel u onderkent dat de kandidaat verandering in ketendenken moet faciliteren, benoemt u niet concreet hoe kennis van of ervaring met ketendenken terugkomt in het functieprofiel.
In uw tabel met eisen, wensen, kennis, ervaring en competenties heeft u onder eis 7 opgenomen dat de kandidaat ervaring moet hebben met het werken in een (overheids)organisatie met minimaal 1.000 medewerkers. Die vereiste ervaring heeft u niet uitgedrukt in jaren. De eis is daardoor minder concreet. Dat geldt ook voor de in de wensen 11 en 16 gewenste ervaring. Onder punt 12 noemt u kennis van privacy/compliance nodig om te voldoen aan steeds strengere eisen op het gebied van privacy en compliance, doch heeft u deze kennis slechts als wens benoemd en niet tot eis gemaakt.
Het Sociaal Competentie Profiel en de daarbij gegeven toelichting zijn als minder relevant beoordeeld. Hoe u per competentie tot de opgenomen norm bent gekomen is niet concreet per competentie toegelicht. Zo is niet duidelijk waarom klantgerichtheid een hogere norm heeft dan omgevingsbewustzijn. Dat verschil sluit ook niet aan bij de casus.
(...)
5.18.
Sogeti heeft bezwaar tegen de conclusie van de beoordelingscommissie dat zij slechts beperkt concreet zou zijn ingegaan op de oorzaak van de weerstand en wat dat zou kunnen betekenen voor het functieprofiel. In de conclusie van antwoord heeft de Staat nader toegelicht dat volgens de casus de oorzaak van de weerstand gelegen was in een gebrek aan centrale sturing in de fictieve organisatie. Volgens de Staat werd van de inschrijvers verwacht dat zij daarop en op de gevolgen ervan zouden ingaan, net als op de bijzondere vaardigheden en competenties van de in te huren ICT-professional, maar heeft Sogeti dat onvoldoende concreet gedaan. Sogeti heeft dit onweersproken gelaten. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het oordeel dat de inschrijving van Sogeti op dat punt onvoldoende concreet was niet onbegrijpelijk. Dat oordeel sluit ook aan bij het gegeven beoordelingskader. Anders dan Sogeti ter zitting nog heeft betoogd, betreft de toelichting van de Staat geen ontoelaatbare uitbreiding van de gunningsbeslissing, maar een (toelaatbare) uitwerking van de in de gunningsbeslissing gegeven motivering.
5.19.
Daarnaast heeft Sogeti bezwaar gemaakt tegen het oordeel van de beoordelingscommissie dat zij ervaring met consultancy niet als eis maar als “overige functiewens” heeft opgenomen. Volgens Sogeti heeft zij ervoor gekozen om in het kader van de effectiviteit niet te veel eisen te stellen en om vier andere relevante eisen voorrang te geven en kan die keuze haar niet worden tegengeworpen. In de conclusie van antwoord heeft de Staat nader toegelicht dat in de casus de nadruk lag op het in kaart brengen van de behoeftes en bezwaren en dat de keuze van Sogeti om ervaring met consultancy niet als eis op te nemen daarom (als kritiekpunt) in de beoordeling is betrokken. Sogeti heeft dit onweersproken gelaten. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is het oordeel van de beoordelingscommissie op dit punt niet onbegrijpelijk.
5.20.
Verder heeft Sogeti bezwaar gemaakt tegen het oordeel van de beoordelingscommissie dat zij de vereiste ervaring bij een overheidsorganisatie niet heeft uitgedrukt in jaren en dat dat het antwoord minder concreet maakt. Sogeti erkent wel dat dit de eis minder concreet maakt, maar volgens haar zou het opnemen van die ervaring het risico vergroten dat er geen geschikte kandidaat kan worden gevonden, waardoor de inschrijving minder effectief zou worden. De Staat heeft op dit punt terecht aangevoerd dat het aan de inschrijver is om een geschikte balans te vinden tussen de werkervaring die minimaal is vereist en die daarnaast ruimte laat voor voldoende kandidaten. Sogeti heeft een en ander onweersproken gelaten en naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit kritiekpunt ook niet onbegrijpelijk of ondeugdelijk. Indien werkervaring niet is uitgedrukt in jaren, is onvoldoende concreet waar die werkervaring uit bestaat.
5.21.
Het laatste bezwaar van Sogeti richt zich tegen het oordeel van de beoordelingscommissie dat het haar niet duidelijk is waarom Sogeti “klantgerichtheid” een hogere norm heeft gegeven dan “omgevingsbewustzijn”. Volgens Sogeti is het haar niet duidelijk waarom de beoordelingscommissie “omgevingsbewustzijn” dan weer belangrijker acht dan “klantgerichtheid”. Met deze stelling miskent Sogeti dat uit het oordeel van de beoordelingscommissie geen rangorde volgt, maar enkel dat de door Sogeti gegeven normscores haar niet duidelijk zijn. Hoewel dat wel op haar weg lag, heeft Sogeti niet gesteld dat zij dit in haar inschrijving wel heeft toegelicht. Alleen al daarom is dit kritiekpunt van de beoordelingscommissie niet onbegrijpelijk. De precieze afbakening tussen klantgerichtheid en omgevingsbewustzijn in de Competentiegids Rijk kan hier in het midden blijven.
PvB III
5.22.
PvB III had een vergelijkbare opzet als PvB I. De inschrijvers dienden twee cv’s aan te leveren van kandidaten die het beste bij de uitvraag zouden passen en die in aanmerking zouden komen voor een selectiegesprek. Het betrof het functieprofiel van een
Project Management Officer(PMO).
5.23.
De beoordelingscommissie heeft het antwoord van Sogeti op PvB III beoordeeld met een “goed”, omdat zij de proeve volledig/compleet heeft beantwoord. De beoordelingscommissie heeft naast een aantal positieve punten ook een aantal kritiekpunten gegeven. Tegen twee kritiekpunten heeft Sogeti bezwaar gemaakt en gesteld dat zij niet begrijpt waarom zij niet de score “uitstekend” heeft gekregen. De overige kritiekpunten heeft zij onweersproken gelaten.
5.24.
De bezwaren van Sogeti zien op de volgende kritiekpunten:

Hoewel onder het kopje “Selectieproces” is opgenomen dat competenties uit de aanvraag en het KWIV-profiel worden aangevuld met competenties die u zelf als essentieel ziet, is niet concreet uitgewerkt welke competenties dit betreft. U licht uw keuze voor de cv’s verder inhoudelijk helder toe. In uw toelichting gaat u in op de kennis en ervaring van de kandidaten en op de match die de kandidaten hebben met de voorgelegde casus en met het omgaan met weerstand. De benoemde testimonials zijn inzichtelijk en overtuigend. De weergave van uw selectieproces is in het licht van de uitvraag als minder relevant beoordeeld.
5.25.
Volgens Sogeti is het kritiekpunt dat zij de volgens haar essentiële aanvullende competenties niet zou hebben uitgewerkt van ondergeschikte aard en heeft zij de competenties weergegeven in een diagram, dat zij heeft opgenomen in de dagvaarding. Dit bezwaar doet evenwel niet af aan het kritiekpunt dat de competenties niet concreet zijn uitgewerkt. Dit kritiekpunt is daarmee niet evident onjuist of ondeugdelijk.
5.26.
Met betrekking tot de weergave van het selectieproces overweegt de voorzieningen-rechter als volgt. Sogeti heeft er terecht op gewezen dat in het beoordelingskader aan inschrijvers werd gevraagd om hun antwoorden toe te lichten. Het selectieproces zou zo’n toelichting kunnen zijn. Uit de motivering van de gunningsbeslissing is niet af te leiden waarom de beoordelingscommissie de weergave van het selectieproces door Sogeti als minder relevant heeft beoordeeld. De Staat heeft op dit punt ook geen nadere toelichting gegeven. Deze onvolkomenheid is evenwel niet van dien aard dat deze noopt tot een nieuwe beoordeling. De Staat heeft er terecht op gewezen dat de overige – deels onweersproken – kritiekpunten maken dat het niet aannemelijk is dat Sogeti op PvB in plaats van een “goed” een “uitstekend” had moeten scoren.
Slotsom en proceskosten
5.27.
De slotsom is dat de primaire en subsidiaire vorderingen van Sogeti worden afgewezen. Sogeti wordt veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) van de Staat en [tussengekomen partijen].
5.28.
Omdat de Staat voornemens is de Opdracht definitief te gunnen aan (onder meer) [tussengekomen partijen] brengt de afwijzing van de vorderingen van Sogeti mee dat [tussengekomen partijen] geen belang (meer) heeft bij toewijzing van haar vordering, zodat deze wordt afgewezen. [tussengekomen partijen] wordt veroordeeld in de kosten van de Staat. Deze kosten worden begroot op nihil, aangezien niet is gebleken dat de Staat als gevolg van de vorderingen van [tussengekomen partijen] extra kosten heeft moeten maken.
5.29.
Ondanks de afwijzing van de vordering van [tussengekomen partijen], wordt Sogeti in haar verhouding tot [tussengekomen partijen] aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij. Het doel van [tussengekomen partijen] was immers om te voorkomen dat de Derde Gunningsbeslissing zou worden ingetrokken, welk doel is bereikt. Sogeti wordt daarom als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [tussengekomen partijen] veroordeeld.
5.30.
De proceskosten van de Staat worden begroot op:
- griffierecht
714,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.080,00
5.31.
De proceskosten van [tussengekomen partijen] worden begroot op:
- griffierecht
735,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.101,00
5.32.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Verstrekking processtukken
5.33.
Aangezien de vorderingen van Sogeti worden afgewezen, bestaat geen aanleiding meer voor een beslissing over de verstrekking van (ongecensureerde) processtukken aan [tussengekomen partijen]. Wel merkt de voorzieningenrechter hierover het volgende op. Uitgangspunt is dat alle partijen, ook de tussenkomende partijen, tijdig over alle stukken moeten kunnen beschikken. Het eventueel onleesbaar maken van concurrentiegevoelige informatie moet tot het uiterste minimum worden beperkt en dient deugdelijk gemotiveerd te worden. De voorzieningenrechter heeft geconstateerd dat Sogeti het weglakken van (volgens haar) concurrentiegevoelige informatie niet tot het uiterste minimum heeft beperkt. Dit verdraagt zich niet met haar standpunt dat recht moet worden gedaan op het gehele dossier.

6.De beslissing:

De voorzieningenrechter:
6.1.
wijst de vorderingen van Sogeti en [tussengekomen partijen] af;
6.2.
veroordeelt [tussengekomen partijen] voor wat betreft de door haar ingestelde vordering in de proceskosten, aan de zijde van de Staat begroot op nihil;
6.3.
veroordeelt Sogeti in de naar aanleiding van haar vorderingen gemaakte overige proceskosten voor de Staat vastgesteld op € 2.080,00 en voor [tussengekomen partijen] vastgesteld op € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Sogeti niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
6.4.
veroordeelt Sogeti tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
6.5.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordelingen en de rente daarover uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2026.
WJ