ECLI:NL:RBDHA:2026:6307

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
22/5472
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.11 WaboArt. 3.9 WaboArt. 3.6.1 bestemmingsplanArt. 3.6.3 bestemmingsplan
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging omgevingsvergunning moestuin wegens strijd met bestemmingsplan

De zaak betreft een beroep van eiser tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard om een omgevingsvergunning te verlenen voor de aanleg van een moestuin op het perceel van een derde-partij. Eiser betoogt dat de vergunning in strijd is met het bestemmingsplan en daarom onrechtmatig is verleend.

De rechtbank stelt vast dat de aanvraag om de vergunning is ingediend vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zodat de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van toepassing is. De rechtbank constateert dat het college zich heeft gebaseerd op een eerdere uitspraak van de rechtbank die de vergunning toestond, maar deze uitspraak is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigd. Hierdoor moet worden aangenomen dat de moestuin in strijd is met het bestemmingsplan.

Het college had de aanvraag als een afwijking van het bestemmingsplan moeten behandelen, maar heeft dit nagelaten. Daarom is het besluit niet zorgvuldig voorbereid en kan het niet in stand blijven. De rechtbank vernietigt het besluit en beveelt het college een nieuw besluit te nemen waarin het expliciet beoordeelt of van het bestemmingsplan kan worden afgeweken. Tevens veroordeelt de rechtbank het college tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met het bestemmingsplan.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/5472

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. I. Laurijssen),
en

het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard, het college

(gemachtigden: mr. A.D. Bouwman en [gemachtigde]).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [woonplaats]

(gemachtigden: mr. S.F. Knoop en mr. B. Pietersz).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de verleende omgevingsvergunning voor de aanleg van een moestuin op het perceel van de derde-partij. Eiser is het niet eens met deze omgevingsvergunning. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de vergunning op goede gronden heeft verleend.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid, omdat het college ten onrechte niet heeft beoordeeld of ten behoeve van de moestuin van het bestemmingsplan kon worden afgeweken. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. In het besluit van 6 april 2021 heeft het college de derde-partij een omgevingsvergunning [1] verleend voor de aanleg van een moestuin op het perceel [adres 1] te [plaats]. Met de omgevingsvergunning is de reeds gerealiseerde moestuin gelegaliseerd. Eiser heeft daartegen bezwaar gemaakt.
2.1.
Met het bestreden besluit van 22 juli 2022 heeft het college – in afwijking van het advies van de bezwaarschriftencommissie – het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de omgevingsvergunning in stand gelaten.
2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De derde-partij heeft ook op het beroep gereageerd.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 23 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser
,bijgestaan door mr. Scholten, de gemachtigden van het college, de derde-partij en zijn gemachtigden. Het beroep is gelijktijdig behandeld met de beroepen van eiser in de zaken 22/5464, 22/5468, 22/5470 en 24/9932. Ook in die zaken doet de rechtbank vandaag uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht Omgevingswet
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De aanvraag om de omgevingsvergunning voor de aanleg van de moestuin is ingediend op 5 mei 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo van toepassing blijft.
Situatieschets
4. Eiser woont op [adres 2] in [plaats]. Zijn woning is gelegen aan een watergang die de erfafscheiding vormt tussen zijn perceel en het perceel van de derde-partij. De derde-partij is sinds 2015 eigenaar van het perceel [adres 1] (het perceel) en woont daar met zijn familie. Op het perceel was eerder een melkrundvee- en varkenshouderij gevestigd. Dat bedrijf is in 1995 beëindigd. De derde-partij heeft sinds de aankoop van het perceel verschillende werkzaamheden uitgevoerd op het perceel om onder meer de grond te saneren van de voormalige melkrundvee- en varkenshouderij. Tussen eiser en de derde-partij bestaat sindsdien onenigheid over het toegestane gebruik van de grond en opstallen op het perceel. Eiser heeft meerdere verzoeken om handhaving ingediend en meerdere omgevingsvergunningen voor activiteiten op het perceel aangevochten. De rechtbank heeft op 9 juni 2022 [2] uitspraak gedaan in een procedure over een verzoek om handhaving van eiser dat onder meer de moestuin betrof.
Het bestreden besluit
5. In het bestreden besluit heeft het college de omgevingsvergunning voor de moestuin in stand gelaten. Het college stelt zich op het standpunt dat de moestuin niet in strijd is met het bestemmingsplan. Ter onderbouwing verwijst het college naar de uitspraak van 9 juni 2022 van de rechtbank waarin de rechtbank ook zo heeft geoordeeld.
Het betoog van eiser
6. Eiser betoogt dat de omgevingsvergunning ten onrechte is verleend. Hij voert hiertoe in de kern aan dat de moestuin op deze locatie op grond van het bestemmingsplan niet is toegestaan.
Het oordeel van de rechtbank
7. Op het perceel is het [bestemmingsplan] van toepassing. De moestuin is gerealiseerd op gronden met de bestemming “Agrarisch met waarden”. Uit artikel 3.6.1 van de planregels volgt voor welke werken en werkzaamheden een omgevingsvergunning voor aanlegactiviteiten is vereist.
7.1.
Het college heeft zich in het bestreden besluit gebaseerd op de uitspraak van de rechtbank van 9 juni 2022. In die uitspraak is overwogen dat de moestuin niet in strijd is met het bestemmingsplan. De uitspraak van de rechtbank van 9 juni 2022 is echter door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) vernietigd bij uitspraak van 25 februari 2026. [3] Uit deze uitspraak volgt dat de aanwezigheid van de moestuin in strijd met het bestemmingsplan moet worden geacht. Gelet op deze uitspraak van de Afdeling geldt dat het college de aanvraag van de derde-partij mede had moeten aanmerken als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo. Dit volgt uit artikel 2.11, tweede lid, van de Wabo. Nu het college dit ten onrechte niet heeft gedaan, kan het bestreden besluit reeds daarom niet in stand blijven. Het betoog van eiser slaagt.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep van eiser is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Het college dient een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser. Daarin zal het college moeten beoordelen of ten behoeve van de moestuin van het bestemmingsplan kan worden afgeweken. Met het oog op dit nieuw te nemen besluit overweegt de rechtbank nog dat in artikel 3.6.1 onder a tot en met i van het bestemmingsplan de werken en werkzaamheden worden genoemd waarvoor een omgevingsvergunning vereist is. Het is de rechtbank uit het primaire besluit en uit het bestreden besluit niet duidelijk geworden op welk van deze werkzaamheden de verleende omgevingsvergunning betrekking heeft. Ter zitting heeft het college desgevraagd toegelicht dat de omgevingsvergunning is verleend voor het scheuren van grasland zoals genoemd in artikel 3.6.1, aanhef en onder d, van het bestemmingsplan, maar de rechtbank heeft hiervoor in het bestreden besluit geen aanknopingspunten kunnen vinden. Evenmin blijkt uit het bestreden besluit op grond van welke beoordelingscriteria uit artikel 3.6.3 van het bestemmingsplan het college tot vergunningverlening heeft besloten. In het nieuw te nemen besluit op bezwaar zal het college hierover duidelijkheid moeten geven.
8.1.
De rechtbank ziet aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van eiser voor de behandeling van het beroep. De rechtbank overweegt dat in de uitspraak van heden in de zaak van eiser met nummer 22/5470, die gelijktijdig op de zitting van 23 januari 2026 is behandeld, ook een proceskostenveroordeling is uitgesproken. Met die uitspraak zijn de kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in verband met de deelname van de gemachtigde aan de zitting, vergoed tot een bedrag van € 1868,-. Nu de zaken gezamenlijk op één zitting zijn behandeld, ziet de rechtbank geen aanleiding om voor de aanwezigheid van de gemachtigde ter zitting in deze zaak nogmaals een proceskostenvergoeding toe te kennen. De proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen worden daarom begroot op € 934,- (één punt voor het beroepschrift, met een waarde van € 934,- per punt en wegingsfactor 1). Omdat het beroep gegrond is, moet het college ook het griffierecht aan eiser vergoeden.
8.2.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 22 juli 2022;
- bepaalt dat het college de proceskosten van eiser in beroep tot een bedrag van € 934,- moet
vergoeden;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van
mr. Y. Al-Qaq, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.