ECLI:NL:RBDHA:2026:6305

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
SGR 25/8628
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d lid 3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen door UWV in medische WIA-herbeoordeling

Eiseres heeft op 12 februari 2025 een herbeoordelingsverzoek ingediend bij het UWV voor een WIA-uitkering van een (ex-)werknemer. Nadat het UWV niet binnen de wettelijke termijn van negen weken had beslist, stelde eiseres het UWV op 28 augustus 2025 in gebreke en diende zij op 3 december 2025 beroep in wegens het uitblijven van een beslissing.

De rechtbank stelt vast dat het UWV de beslistermijn heeft overschreden en dat geen besluit is genomen na de ingebrekestelling. Het beroep wordt daarom gegrond verklaard. De rechtbank wijst op de bijzondere omstandigheden van het tekort aan verzekeringsartsen, waardoor beslistermijnen structureel niet worden gehaald, en bevestigt de toepassing van artikel 8:55d lid 3 Awb.

De rechtbank legt het UWV op binnen negen weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen, waarbij zes weken zijn gereserveerd voor de medische beoordeling door een verzekeringsarts en drie weken voor het nemen van het besluit. Tevens wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd bij overschrijding, met een maximum van €15.000. Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiseres.

Uitkomst: Het UWV moet binnen negen weken alsnog beslissen op het herbeoordelingsverzoek en betaalt een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/8628

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 maart 2026 in de zaak tussen

Stichting [eiseres], uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: C. Rigters-Snijders),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,het Uwv (gemachtigde: C. Schravesande).

Inleiding

1. [(ex-)werkneemster] , (ex-)werkneemster van eiseres, ontvangt een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Op 12 februari 2025 heeft eiseres verzocht om een herbeoordeling van het recht van de (ex-)werknemer op deze WIA-uitkering.
1.1.
Eiseres heeft op 3 december 2025 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op het herbeoordelingsverzoek.
1.2.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank overweegt dat vaststaat dat de termijn om te beslissen op het herbeoordelingsverzoek is overschreden. Eiseres heeft het Uwv op 28 augustus 2025 in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het herbeoordelingsverzoek. Het beroep is daarom gegrond.
3. Omdat het Uwv nog geen besluit heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen.
4. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om het Uwv te sommeren alsnog binnen een redelijke termijn een beslissing te nemen.
4.1.
Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de beslistermijn is overschreden vanwege het tekort aan artsen en de als gevolg daarvan hoge en nog steeds oplopende werkvoorraad.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025. [1] In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald.
4.3.
In twee uitspraken van 31 maart 2025 heeft de rechtbank bepaald dat in beroepen tegen het uitblijven van beslissingen van het Uwv waarin een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten, bijvoorbeeld een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een beslissing te nemen. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak. [2]
4.4.
Indien het Uwv blijkens de dossierstukken of het verweerschrift ten tijde van de uitspraak de medische beoordeling al op een spreekuurcontact, hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of voor dossieronderzoek heeft gepland op een bepaalde datum, dan geldt dat de termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak wordt bekort, waarbij rekening wordt gehouden met de al geplande datum voor het medisch onderzoek. Het Uwv krijgt in ieder geval de wettelijke termijn van minimaal twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele situatie aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijnen. [3]
5. Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat nog niet kan worden ingeschat wanneer een besluit wordt genomen, en dat de aanvraag met voorrang wordt afgehandeld. Het Uwv verzoekt de rechtbank om aan te sluiten bij de termijnen van de uitspraak van 31 maart 2025. Het is de rechtbank niet gebleken dat bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
6. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om een gerechtelijke dwangsom op te leggen. De rechtbank zal – in overeenstemming met het landelijke beleid van de rechtbanken – bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de hierboven genoemde beslistermijn van negen weken wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
7. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
8. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het Uwv op om uiterlijk binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat het Uwv aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
  • bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het Uwv tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Bronsveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.De uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, r.o. 4.4 en 4.5.
2.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.2 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.2.
3.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.3 en 5.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.3 en 5.4.