ECLI:NL:RBDHA:2026:6297

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
22/5468
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:4 AwbArt. 4.3 Invoeringswet Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek handhaving verbouwing voormalige paardenstal in agrarisch gebied

Eiser verzocht het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard om handhavend op te treden tegen de verbouwing en het gebruik van een voormalige paardenstal op het perceel van een derde-partij. Het college wees dit verzoek af, waarna eiser bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde bij de rechtbank.

De rechtbank overwoog dat het verzoek om handhaving was ingediend vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zodat het oude recht van toepassing bleef. De paardenstal staat op grond met de bestemming “Agrarisch met waarden” en het gebruik daarvan is niet in overeenstemming met deze bestemming. Echter, de rechtbank bevestigde haar eerdere oordeel van 9 juni 2022 dat handhaving in dit geval onevenredig zou zijn vanwege het evenredigheidsbeginsel en de beperkte zichtbaarheid van de paardenstal vanaf het perceel van eiser.

Eiser voerde geen nieuwe feiten of omstandigheden aan die aanleiding gaven tot een ander oordeel. Bovendien heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het hoger beroep van eiser tegen de eerdere uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep daarom ongegrond en liet het bestreden besluit in stand. Eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om geen handhavend op te treden tegen de verbouwing van de voormalige paardenstal is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 22/5468

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. I. Laurijssen),
en

het college van burgemeester en wethouders van Krimpenerwaard, het college

(gemachtigden: mr. A.D. Bouwman en [gemachtigde]).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [woonplaats]

(gemachtigden: mr. S.F. Knoop en mr. B. Pietersz).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiser om handhaving. De derde-partij heeft een voormalige paardenstal op zijn perceel [adres 1] te [plaats] verbouwd tot kantoor en wasruimte. Eiser heeft het college verzocht handhavend op te treden tegen de aanwezigheid en het gebruik van de (verbouwde) paardenstal. Het college heeft dit verzoek afgewezen. Eiser is het niet eens met die afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college terecht heeft besloten tot afwijzing van het verzoek om handhaving.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat er geen aanleiding is anders te oordelen over de afwijzing van het verzoek om handhaving dan de rechtbank in haar uitspraak van 9 juni 2022 [1] al heeft gedaan. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 23 augustus 2018 bij het college gemeld dat op het perceel van de derde-partij op de plaats van de voormalige paardenstal een vrijwel nieuw gebouw is gebouwd. Eiser meent dat het gebouw niet past binnen de bestemming “Agrarisch met waarden”.
2.1.
In een nader verzoek van 15 januari 2019 heeft eiser verzocht om handhaving tegen overbebouwing en overbewoning op het perceel van de derde-partij.
2.2.
Met het besluit van 7 april 2021 (het primaire besluit) heeft het college het handhavingsverzoek afgewezen.
2.3.
Met het besluit van 22 juli 2022 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
2.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. De derde-partij heeft ook op het beroep gereageerd.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 23 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser
,bijgestaan door mr. Scholten, de gemachtigde van het college en de derde-partij en zijn gemachtigden. Het beroep is gelijktijdig behandeld met de beroepen van eiser in de zaken 22/5464, 22/5470, 22/5472 en 24/9932. Ook in die zaken doet de rechtbank vandaag uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht Omgevingswet
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk voor dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. Het verzoek van eiser is van vóór 1 januari 2024 zodat het oude recht van toepassing blijft.
Situatieschets
4. Eiser woont op [adres 2] in [plaats]. Zijn woning is gelegen aan een watergang die de erfafscheiding vormt tussen zijn perceel en het perceel van de derde-partij. De derde-partij is sinds 2015 eigenaar van het perceel [adres 1] (het perceel) en woont daar met zijn familie. Op het perceel was eerder een melkrundvee- en varkenshouderij gevestigd. Dat bedrijf is in 1995 beëindigd. De derde-partij heeft sinds de aankoop van het perceel verschillende werkzaamheden uitgevoerd op het perceel om onder meer de grond te saneren van de voormalige melkrundvee- en varkenshouderij. Tussen eiser en de derde-partij bestaat sindsdien onenigheid over het toegestane gebruik van de grond en opstallen op het perceel. Eiser heeft meerdere verzoeken om handhaving ingediend en meerdere omgevingsvergunningen voor activiteiten op het perceel aangevochten.
Het bestreden besluit
5. Op het perceel is het [bestemmingsplan] van toepassing. De (voormalige) paardenstal staat op gronden met de bestemming “Agrarisch met waarden”. Niet in geschil is dat (het gebruik van) de paardenstal niet in overeenstemming is met deze bestemming.
6. Het college heeft zich in het bestreden besluit onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank van 9 juni 2022 op het standpunt gesteld dat het verzoek van eiser om handhaving tegen de verbouwing van de paardenstal terecht is afgewezen omdat handhaving in dit concrete geval onevenredig zou zijn.
Beoordeling standpunten in beroep
7. Eiser betoogt dat het college ten onrechte niet handhavend optreedt tegen de voormalige paardenstal. De paardenstal wordt illegaal gebruikt en eiser is het niet eens met het oordeel dat het niet evenredig is om daartegen handhavend op te treden.
7.1.
In de uitspraak van 9 juni 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat het college terecht geen aanleiding heeft gezien om handhavend op te treden tegen de paardenstal. De rechtbank heeft overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een herstelsanctie in de vorm van gedwongen verwijdering van dit bouwwerk (voor zover het handhavingsverzoek van eiser daartoe strekt) zich niet zou verdragen met het evenredigheidsbeginsel, neergelegd in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Met het college was de rechtbank van oordeel dat de nadelige gevolgen van zo’n besluit voor de derde-partij niet zouden opwegen tegen het met een herstelbesluit te dienen doel. Daarbij heeft de rechtbank laten meewegen dat de paardenstal al aanwezig was toen de derde-partij het perceel kocht en dat eiser vanaf zijn perceel slechts beperkt zicht heeft op de paardenstal.
7.2.
Met de uitspraak van 9 juni 2022 heeft de rechtbank reeds een oordeel gegeven over de vraag of het college mocht afzien van handhavend optreden tegen (het gebruik van) de paardenstal. In wat eiser in beroep heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om thans tot een ander oordeel te komen dan in die uitspraak. Van gewijzigde feiten of omstandigheden ten opzichte van de situatie ten tijde van die uitspraak is niet gebleken. Deze procedure is niet bedoeld om het eerdere oordeel van de rechtbank in de uitspraak van 9 juni 2022 ter discussie te stellen. Daarbij komt dat het hoger beroep van eiser tegen die uitspraak door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij uitspraak van 25 februari 2026 [2] ongegrond is verklaard. Het betoog van eiser slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Het bestreden besluit blijft daarom in stand. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiser het door hem betaalde griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van
mr. Y. Al-Qaq, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.