Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6295

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
SGR 26/1273
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen schorsing WIA-uitkering wegens onvolledige medewerking

Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van het UWV om zijn WIA-uitkering en toeslag te schorsen vanaf 1 februari 2026 wegens vermeende onvolledige medewerking. De voorzieningenrechter beoordeelt dit verzoek op grond van artikel 8:81 Awb Pro, waarbij alleen bij onverwijlde spoed een voorlopige voorziening kan worden getroffen.

Verzoeker stelt dat hij niet meer kan voorzien in zijn levensonderhoud en verwijst naar bankafschriften en een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep. Het UWV betwist dat er sprake is van acute financiële nood. De voorzieningenrechter concludeert dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een acute financiële noodsituatie bestaat.

Omdat er geen spoedeisend belang is, wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af zonder zitting. Deze beslissing is voorlopig van aard en bindt de rechtbank niet in een eventueel bodemgeding. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de schorsing van de WIA-uitkering wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/1273

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. B.J.P. Toonen),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,het Uwv (gemachtigde: mr. J.S. de Vreeze).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van 28 januari 2026. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
1.2
Het Uwv heeft in het besluit van 28 januari 2026 de WIA-uitkering en toeslag van verzoeker geschorst vanaf 1 februari 2026, omdat verzoeker onvolledige medewerking zou hebben verleend, waardoor het Uwv niet kan bepalen of verzoeker nog recht heeft op een uitkering en toeslag.

Beoordeling door de rechtbank

2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
3. Verzoeker voert aan dat hij niet meer kan voorzien in zijn levensonderhoud. Hij wijst hierbij op de door hem overgelegde bankafschriften. Volgens verzoeker is er sprake van een dreigende broodnoodsituatie waardoor de behandeling van de hoofdzaak niet kan worden afgewacht. Verzoeker verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 4 juli 2019. [1]
4. Verweerder is van mening dat er geen sprake is van een acute financiële noodsituatie. Uit de bankafschriften blijkt niet dat de financiële positie zodanig is dat verzoeker de beslissing op het bezwaar niet kan afwachten.
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een acute financiële noodsituatie. Uit de overgelegde bankafschriften blijkt dit niet. De uitspraak waar verzoeker naar verwijst baat hem niet, nu in die uitspraak ook geen sprake was van een acute financiële noodsituatie.

Conclusie en gevolgen

6. De conclusie is dat er geen spoedeisend belang is bij de gevraagde voorlopige voorziening. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Bronsveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.CRvB 4 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2234, r.o. 9.