ECLI:NL:RBDHA:2026:6288
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet tijdig beslissen op aanvraag verblijfsvergunning asiel Syrië
Eiser, afkomstig uit Syrië, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie ontving deze aanvraag op 31 juli 2024 en moest in beginsel binnen zes maanden beslissen. Vanwege een besluitmoratorium voor Syrië, dat liep van 14 december 2024 tot 13 juni 2025, werd de beslistermijn verlengd met maximaal één jaar, waardoor de uiterste beslisdatum op 31 januari 2026 lag.
Eiser stelde de minister op 23 december 2025 schriftelijk in gebreke, maar dit was nog vóór het verstrijken van de beslistermijn. Volgens de Algemene wet bestuursrecht is een ingebrekestelling vereist voordat beroep kan worden ingesteld, maar deze moet niet te vroeg worden gedaan. Omdat de ingebrekestelling te vroeg was, verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk.
De rechtbank vond het niet nodig partijen te horen in een zitting en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier N.B. Yalcinkaya op 17 maart 2026. Eiser wordt gewezen op de mogelijkheid tot het indienen van een verzetschrift binnen zes weken na verzending van de uitspraak.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard wegens te vroege ingebrekestelling.