Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de door verweerder opgelegde belastingrente bij een voorlopige aanslag erfbelasting. Het geschil spitst zich toe op de uitleg van artikel 30g, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), met name de vraag of het verzoek om een voorlopige aanslag binnen de termijn van "voor de eerste dag van de negende maand na het overlijden" is gedaan.
De rechtbank stelt vast dat de tekst van de wet eenduidig is en dat de termijn moet worden uitgelegd als de eerste dag van de negende maand volgend op de maand van overlijden, wat overeenkomt met het standpunt van eiseres. Verweerder stelde dat de termijn acht maanden na het overlijden betekende, gebaseerd op een passage uit de parlementaire toelichting, maar de rechtbank oordeelt dat de tekst van de wet voorrang heeft boven deze onzekere aanwijzing.
De rechtbank vernietigt de beschikking belastingrente en verklaart het beroep gegrond. Tevens veroordeelt zij verweerder in de proceskosten van eiseres, waarbij rekening is gehouden met samenhangende zaken. De uitspraak is gedaan door rechter M.J. Pelinck en griffier L.J.E. Steijvers op 23 januari 2026.