ECLI:NL:RBDHA:2026:6215
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toewijzing verzoek proceskostenvergoeding wegens late beslissing verblijfsvergunning
Verzoeker diende een beroep in tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning. Op 26 januari 2026 nam de minister alsnog een besluit, waarna verzoeker het beroep introk en proceskostenvergoeding vorderde.
De minister gaf aan bereid te zijn de proceskosten te vergoeden. De rechtbank oordeelde dat de minister tegemoet was gekomen aan het beroep en dat toewijzing van proceskostenvergoeding passend was. Omdat verzoeker een professionele juridische hulpverlener inschakelde en de zaak van licht gewicht was, werd een wegingsfactor van 0,5 toegepast.
De rechtbank veroordeelde de minister tot vergoeding van € 467,- aan proceskosten. Er was geen noodzaak tot zitting en de uitspraak werd openbaar gedaan op 16 maart 2026.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van € 467,- aan proceskosten wegens late beslissing op verblijfsvergunningaanvraag.