ECLI:NL:RBDHA:2026:618

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
NL25.55029
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.A. Bouter - Rijksen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 31 Vreemdelingenwet 2000Art. 30b Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ordemaatregel ter voorkoming beëindiging opvang asielzoeker na afwijzing asielaanvraag

Verzoeker heeft tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter overweegt dat bij dreiging van ernstige en onomkeerbare gevolgen een ordemaatregel kan worden getroffen. Omdat verzoeker de aanzegging ontving dat hij per 13 januari 2026 de opvanglocatie moet verlaten, is dit een bijzondere situatie die onmiddellijke rechterlijke bescherming vereist.

De voorzieningenrechter besluit het bestreden besluit te schorsen en verbiedt verweerder de opvang en verstrekkingen te beëindigen totdat op het verzoek om een voorlopige voorziening is beslist. Dit voorkomt dat verzoeker onherstelbare schade lijdt in afwachting van de inhoudelijke behandeling van het beroep.

De zaak wordt verder behandeld op de zitting van 25 februari 2026. Indien het verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken, vervalt de ordemaatregel. De uitspraak is gedaan zonder zitting en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet.

Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van opvang en verstrekkingen wordt geschorst totdat op het verzoek om voorlopige voorziening is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.55029

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], V-nummer: [nummer], verzoeker

(gemachtigde: mr. K. Mohasselzadeh),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. E. de Jong).

Procesverloop

Bij besluit van 28 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, e en h, van de Vw als kennelijk ongegrond afgewezen.
Verzoeker heeft op 31 oktober 2025 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder op 10 november 2025 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Bij bericht van 6 januari 2026 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht om met spoed uitspraak te doen, omdat hij de aanzegging heeft ontvangen dat hij de opvanglocatie van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) per 13 januari 2026 moet verlaten.
Verweerder heeft bij brief van 7 januari 2026, in reactie op een bericht van de voorzieningenrechter van 6 januari 2026, te kennen gegeven dat hij zich verzet tegen toewijzing het verzoek om een voorlopige voorziening en een inhoudelijke reactie gegeven.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht uitspraak zonder zitting.
2. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan – onder meer – indien tegen een besluit bij de bestuursrechter beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een bodemgeding niet.
3. De voorzieningenrechter stelt voorop dat als een verzoeker de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening niet kan afwachten, omdat zich reeds in de periode tot aan die uitspraak ernstige en onomkeerbare gevolgen voordoen die tot onmiddellijk rechterlijk ingrijpen nopen, de voorzieningenrechter een ordemaatregel kan treffen. De bevoegdheid om een ordemaatregel te treffen is dus bedoeld voor bijzondere gevallen.
4. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om gebruik te maken van deze bevoegdheid. Hierbij vindt de voorzieningenrechter van belang dat verzoeker de aanzegging heeft ontvangen dat hij op 13 januari 2026 de opvanglocatie van het COa moet verlaten. De voorzieningenrechter zal nader onderzoek moeten doen naar het standpunt van verweerder zoals weergegeven in het briefverweer van 7 januari 2026. In dit briefverweer lijkt verweerder een nieuwe weg in te slaan door zich op het standpunt te stellen dat de opvang en verstrekkingen worden beëindigd van asielzoekers waarvan de asielaanvraag is afgewezen en die het hiertegen ingestelde beroep niet, maar het tijdige verzoek om een voorlopige voorziening wel in Nederland mogen afwachten. Zij ziet dan ook voldoende aanleiding om ter voorkoming van ernstige en onomkeerbare gevolgen een ordemaatregel te treffen, in die zin dat dit besluit wordt geschorst en dat verweerder wordt verboden de opvang en verstrekkingen van verzoeker te (doen) beëindigen totdat op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is beslist.
5. Het verzoek tot om een voorlopige voorziening zal verder worden behandeld op de al geplande zitting van 25 februari 2026, om 13.45 uur.

Beslissing

De rechtbank:
- schorst het bestreden besluit;
- bepaalt dat verweerder het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opdraagt de opvang en verstrekkingen van verzoeker niet te beëindigen zolang er niet op het verzoek om een voorlopige voorziening is beslist;
- bepaalt dat indien het verzoek om een voorlopige voorziening rechtsgeldig wordt ingetrokken, deze ordemaatregel vervalt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B.C. Hoeksel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.