Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6166

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
C/09/681839 / FA RK 25-1894
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 BWArt. 1:402 BWArt. 1:402a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling zorg- en opvoedingstaken en vaststelling kinderalimentatie na echtscheiding

De moeder en vader, gehuwd van 2009 tot 2021, zijn gezamenlijk gezagdragers over drie minderjarige kinderen met hoofdverblijfplaats bij de moeder. Na hun echtscheiding is een ouderschapsplan opgesteld waarin afspraken over zorg, opvoeding en kinderkosten zijn vastgelegd. De moeder verzoekt wijziging van de zorgregeling en verhoging van de kinderalimentatie naar €346 per maand, conform wettelijke normen.

De vader voert verweer dat zijn inkomen laag is en dat hij vanwege schulden en uitstel van jaarrekeningen geen verhoging kan dragen. De rechtbank oordeelt dat de vader onvoldoende financiële stukken heeft overgelegd om zijn draagkracht aannemelijk te maken, ondanks herhaalde verzoeken van de moeder. De rechtbank neemt het addendum over de zorgregeling op in de beschikking en wijst het verzoek tot verhoging van de kinderalimentatie toe, met ingang van 20 februari 2026.

De rechtbank wijst het meer of anders verzochte af en verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad. De vader wordt verplicht om maandelijks €346 aan kinderalimentatie te betalen, telkens bij vooruitbetaling, conform de wettelijke maatstaven en de gewijzigde afspraken tussen partijen.

Uitkomst: De rechtbank wijzigt het ouderschapsplan en stelt de kinderalimentatie vast op €346 per maand met ingang van 20 februari 2026.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-1894
Zaaknummer: C/09/681839
Datum beschikking: 20 februari 2026

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en kinderalimentatie

Beschikking op het op 13 maart 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.A. van den Heuvel in Rijswijk.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D.C.A. van Wessel in Barendrecht.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • het bericht van 28 maart 2025 van de moeder, met bijlagen;
  • het verweerschrift, met zelfstandig verzoek, met bijlagen, ingekomen op 12 mei 2025;
  • het bericht van 13 mei 2025 van de vader;
  • het bericht van 15 mei 2025 van de moeder;
  • het bericht van 15 mei 2025 van de moeder, waarin zij haar verzoeken wijzigt, met bijlagen;
  • het bericht van 27 mei 2025 van de vader, met bijlagen;
  • het bericht van 9 januari 2026 van de vader, met bijlagen;
  • het bericht van 13 januari 2026 van de moeder, met bijlagen.
Op 23 januari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat.

Feiten

  • De moeder en de vader zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2009 tot [datum 2] 2021.
  • Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 in [geboorteplaats] ;
  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2018 in [geboorteplaats] ;
  • [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 2] 2018 in [geboorteplaats] .
  • De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.
  • De kinderen hebben de hoofdverblijfplaats bij de moeder.
  • Bij beschikking van 10 mei 2021 van de rechtbank Overijssel – voor zover relevant – is de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken en is bepaald dat het aangehechte convenant, tevens houdende een ouderschapsplan deel uitmaakt van de beschikking, en zijn de ouders veroordeeld over en weer na te komen hetgeen zij daarin zijn overeengekomen.
  • In het op 13 april 2021 ondertekende ouderschapsplan – voor zover hier relevant – zijn de ouders in artikel 7 het Pro volgende overeengekomen:
7.1
Kosten van de kinderen
De behoefte van de kinderen is vastgesteld op € 1.072,- per maand. Hierbij is
rekening gehouden met € 304,- aan opvangkosten. De behoefte is gebaseerd op het
netto inkomen 2020:
van de moeder van € 2.189,-
van de vader van € 1.298,-
De ouders spreken af dat zij in 2021 nadrukkelijk afwijken van de wettelijke normen
en zullen niet naar rato van hun draagkracht bijdragen in de kinderkosten. De vader
neemt de volgende kosten op zich naast de kinderalimentatie zoals in 7.2; sport en
sportkleding van de kinderen, schoolreisjes en overige hobby's van de kinderen. De
moeder betaalt kleding en schoenen van de kinderen, kapper, cadeautjes van
kinderfeestjes. Schoolkosten en medische kosten die niet vergoed worden, zullen
betaald worden door beide ouders, ieder voor de helft. BSO kosten worden betaald
door de moeder. In 2022 zullen zij een herberekening laten uitvoeren door de mediator om volgens de wettelijke draagkracht bij te dragen aan de kinderkosten.
7.2
Met ingang van de maand volgend op de maand waarin de beschikking is
ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie zal [de vader]
maandelijks bij vooruitbetaling als bijdrage in de kosten van de verzorging en
opvoeding van de (minderjarige) kinderen betalen een bedrag ad € 17,- aan [de moeder]
.
7.3
Deze alimentatie is te beginnen m.i.v. 01-01-2022 onderworpen aan de wettelijke
indexering als bedoeld in art. 1:402a BW.
(…)
7.6
Herziening kinderkosten en verdeling
De ouders zijn bij het opstellen van het ouderschapsplan overeengekomen dat zodra er inkomensveranderingen bij 1 van de ouders zijn van € 200,- netto of meer per maand, en ten minste 1 keer per jaar, de kinderkosten en verdeling hiervan opnieuw bekeken worden. De ouders overleggen hun inkomen ieder jaar en bekijken of daar verschillen in zijn gekomen. Zij zullen in eerste instantie proberen dit in gezamenlijk overleg te doen. Mochten ze hier niet uitkomen dan zullen ze een herberekening laten uitvoeren door de Mediator [regio] of een andere mediator naar keuze. Partijen zullen meewerken aan het aanleveren van de benodigde gegevens voor het opstellen van de herberekening en conformeren zich aan de uitslag hiervan.

Verzoek en verweer

De moeder verzoekt, na wijziging en naar de rechtbank begrijpt, uitvoerbaar bij voorraad:
  • een zorgregeling te bepalen zoals opgenomen in het op 29 april 2025 volledig ondertekende addendum;
  • de hoogte van de bijdrage van de vader in de opvoeding en verzorging van de minderjarige kinderen, zoals vervat in het ouderschapsplan van 12 april 2021 en de hoogte van de bijdrage van de vader in de opvoeding en verzorging van de minderjarige kinderen vast te stellen op € 346,- per maand, conform de wettelijke maatstaven, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie acht, per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van 31 december 2024, althans met ingang van datum indiening verzoekschrift, althans met datum van de beschikking, althans met ingang van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum.
De vader voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt de vader, na wijziging, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • het verzoek van de moeder tot verhoging van de kinderalimentatie af te wijzen;
  • subsidiair, indien de rechtbank van oordeel is dat er wel aanleiding bestaat voor
herziening van de alimentatie, deze vast te stellen op een bedrag dat recht doet aan
de werkelijke draagkracht van de vader.
De moeder voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
De ouders hebben in loop van de procedure overeenstemming bereikt over de zorgregeling en hebben deze afspraken vastgelegd in een addendum bij het ouderschapsplan van 12 april 2021. De moeder verzoekt deze afspraken op te nemen in de beschikking. De rechtbank wijst het verzoek toe en neemt het addendum op door dit aan deze beschikking te hechten.
Kinderalimentatie
Standpunt moeder
De moeder verzoekt wijziging van de in het ouderschapsplan opgenomen afspraken over de kinderalimentatie en verzoekt de hoogte van de bijdrage van de vader in de opvoeding en verzorging van de kinderen vast te stellen op € 346,- per maand. Zij voert daartoe aan dat de ouders in het ouderschapsplan zijn overeengekomen de kinderalimentatie jaarlijks te berekenen, maar dat dit nooit is gebeurd. De vader heeft, na diverse verzoeken, uiteindelijk zijn aanslagen inkomstenbelasting over de jaren 2021, 2022 en 2023 overgelegd, waaruit een jaarinkomen van ongeveer € 15.000,- blijkt. De moeder betwist de juistheid van de stukken en vraagt zich af waarvan de vader feitelijk leeft. De moeder wijst erop dat de vader ondernemer is en directeur-grootaandeelhouder van [bedrijfsnaam] B.V. Volgens haar had het op de weg van de vader gelegen om de jaarrekeningen over de afgelopen jaren te verstrekken, om inzicht te geven zijn financiële situatie. Nu de vader onvoldoende financiële stukken heeft overgelegd, vindt de moeder dat haar verzoek moet worden toegewezen.
Standpunt vader
De vader voert aan dat zijn inkomen dusdanig laag is dat er geen ruimte bestaat om de kinderalimentatie te verhogen. Hij heeft een hoveniersbedrijf en corona-gerelateerde schulden die hij moet aflossen. Hij geeft verder aan dat er geen sprake is van een rekening-courant waarvan wordt geleefd; hij heeft weinig te besteden en leeft financieel van maand tot maand. Mede vanwege de kosten voor het opstellen van de jaarrekeningen heeft de vader dit uitgesteld. Op de zitting heeft de vader aangegeven dat hij de jaarrekeningen enkele weken geleden heeft ontvangen. Omdat dit nog maar kort geleden is, zijn deze stukken niet overgelegd. Bovendien verschaffen de wel overgelegde stukken volgens de advocaat van de vader voldoende inzage in de financiële positie van de vader.
Ontvankelijkheid
Op grond van artikel 1:401 eerste Pro lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.
De ouders zijn het erover eens dat de bijdrage die is vastgesteld in het ouderschapsplan niet in lijn is met de wettelijke maatstaven. In het ouderschapsplan is afgesproken dat de ouders jaarlijks een berekening zullen maken aan de hand van de wettelijke maatstaven. Nu dit niet is gebeurd, is de moeder ontvankelijk in haar verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 BW Pro een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Hierbij geldt in het algemeen dat de rechter van zijn bevoegdheid tot wijzing van de bijdrage met ingang van een datum gelegen vóór zijn uitspraak behoedzaam gebruik moet maken.
Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig)verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de wijziging van de onderhoudsverplichting bepalend zijn.
De rechtbank ziet in de gegeven omstandigheden geen aanleiding om uit te gaan van een datum die ligt voor de datum van de beschikking. De rechtbank zal de kinderalimentatie daarom vaststellen met ingang van 20 februari 2026.
De rechtbank is verder van oordeel dat de door de vader is overgelegde stukken onvoldoende zijn om een goed inzicht te krijgen in zijn financiële situatie. Er zijn alleen aanslagen overgelegd, maar die geven onvoldoende inzicht in de financiële situatie gelet op het feit dat de vader ondernemer is en een eigen BV heeft. Stukken van de belastingdienst en jaarrekeningen die zijn standpunt onderbouwen zijn niet overgelegd, terwijl op de zitting bleek dat die stukken er (inmiddels) wel zijn. Het had op de weg van de vader gelegen om meer inzicht te geven in zijn financiële positie, zeker omdat hier door en namens de moeder herhaaldelijk om is gevraagd en door haar is betwist dat wat hij aangeeft als inkomen te hebben juist is. Dat de vader dit niet heeft gedaan, komt voor zijn rekening en risico. Bij deze stand van zaken heeft de rechtbank geen andere mogelijkheid dan te oordelen dat de vader zijn standpunt, in het licht van de gemotiveerde betwisting van de moeder, onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank kan daarom niet anders dan het verzoek van de moeder in zoverre toewijzen.
De rechtbank zal het meer of anders verzochte over de kinderalimentatie afwijzen.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van het ouderschapsplan van 12 april 2021 – :
bepaalt dat de vader aan de moeder, met ingang van 20 februari 2026 een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen:
  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 in [geboorteplaats] ;
  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2018 in [geboorteplaats] ;
  • [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 2] 2018 in [geboorteplaats] ,
van € 346 per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
neemt op de door de ouders getroffen onderlinge regeling, zoals neergelegd in het aan deze beschikking gehechte addendum bij het ouderschapsplan van 12 april 2021;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. de Jong-Kwestro, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Wien als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 20 februari 2026.
[afbeelding verwijderd i.v.m. privacygevoelige informatie]