Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6154

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
22 maart 2026
Zaaknummer
C/09/675686 / FA RK 24-8179
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:93 BWArt. 1:94 BWArt. 1:100 BWArt. 1:157 BWArt. 1:395a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met verdeling gemeenschap van goederen en partneralimentatie

Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen en verzoeken gezamenlijk de echtscheiding uit te spreken. De rechtbank stelt vast dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en wijst de echtscheiding toe.

De vrouw krijgt het recht om de echtelijke woning te blijven gebruiken gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. De woning wordt verkocht via een makelaar, waarbij de opbrengst en eventuele over- of onderwaarde gelijk worden verdeeld.

De rechtbank wijst partneralimentatie toe aan de vrouw van € 1.449,- bruto per maand, ingaande op de dag van inschrijving van de echtscheiding. Alimentatie voor de jongmeerderjarige wordt afgewezen omdat deze voldoende eigen middelen heeft.

De verdeling van de gemeenschap van goederen wordt vastgesteld, waarbij onder meer de inboedel aan de vrouw wordt toegekend, de auto reeds verdeeld is, en de vrouw een vergoedingsrecht heeft voor schenkingen onder uitsluitingsclausule. Verzoeken tot afwijking van de verdeling van erfenissen worden afgewezen.

De man wordt verplicht om de vrouw te vergoeden voor vakantiegeld en schenkbelasting, en partijen worden gehouden tot medewerking aan de overdracht van de woning.

Uitkomst: De rechtbank spreekt de echtscheiding uit, kent partneralimentatie toe en regelt de verdeling van de gemeenschap van goederen inclusief gebruik woning voor zes maanden.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-8179
Zaaknummer: C/09/675686
Datum beschikking: 27 februari 2026

Scheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 14 november 2024 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E.R. Boertje te Rotterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man],

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.G. Schnoor te ’s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het F9 formulier van 25 november 2024, met bijlage, van de zijde van de vrouw;
  • het bericht van 6 januari 2025, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;
  • het bericht van 14 januari 2025, met bijlagen, van de zijde van de vrouw
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift;
  • het verweer tegen het zelfstandig verzoek tevens aanvullend verzoek;
  • het verweer op het aanvullend verzoek;
  • het bericht van 16 juli 2025, met bijlage, van de zijde van de vrouw;
  • het F9 formulier van 2 januari 2026, met bijlage, van de zijde van de man;
  • het bericht van 5 januari. Met bijlagen, van de zijde van de vrouw;
  • het F9 formulier van 13 januari 2026, met bijlage, van de zijde van de vrouw.
Op 15 januari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat.

Feiten

  • Partijen zijn gehuwd op [datum] 1995 te [plaats 1].
  • Zij zijn de ouders van de [jongmeerderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2006.
  • Zij zijn ook de ouders van de inmiddels [meerderjarige], geboren op [geboortedatum 2] 2004 te [geboorteplaats], [geboorteland].
  • Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen.

Verzoek en verweer

De vrouw verzoekt de rechtbank – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - :
  • de echtscheiding tussen partijen uit te spreken;
  • de verdeling van de gemeenschap van goederen van partijen vast te stellen op de door de vrouw nader aan te geven wijze.
De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de man, zelfstandig verzocht om de echtscheiding, met nevenvoorziening inhoudende:
- de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap van goederen als volgt vast te stellen:
- te bepalen dat de echtelijke woning te ([postcode]) [plaats 2] aan het adres [adres] dient te worden verkocht waarna de opbrengst bij helfte dient te worden verdeeld conform een ‘spoorboekje’;
- te bepalen dat de saldi op de gezamenlijke bankrekeningen bij de ING en de Triodosbank van partijen per peildatum bij helfte tussen partijen worden verdeeld;
- te bepalen dat de auto van het merk Ford, dan wel de waarde van die auto per peildatum, zijnde € 6.000,- kan worden toebedeeld aan de vrouw, zodat aan de man een bedrag toekomt van € 3.000,-, welke bedrag reeds door hem is ontvangen;
- te bepalen dat de inboedel van de echtelijke woning kan worden toebedeeld aan de vrouw tegen vergoeding van de helft van de waarde van de inboedel, door de man vooralsnog begroot op € 10.000,-, althans een dusdanig bedrag als de rechtbank meent dat in goede justitie zal behoren,
Althans een dusdanige verdeling van de gemeenschap van goederen vast te stellen als de rechtbank meent dat in goede justitie zal behoren;
- veroordeling van de vrouw om aan de man maandelijks een bedrag te betalen van
€ 800,00 ter zake de helft van de vaste lasten van de woning, zulks met ingang 1 december 2024 tot aan de dag de woning is geleverd aan een derde,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de vrouw, na wijziging, aanvullend verzocht:
  • te bepalen dat de vrouw per datum van de te geven beschikking gerechtigd is tot het uitsluitend gebruik van de woning aan de [adres] te ([postcode]) [plaats 2], alsmede tot de daarbij behorende inboedel en de man te bevelen de woning niet (verder) te betreden;
  • de verdeling van de (ontbonden) gemeenschap van goederen vast te stellen inhoudende:
- te bepalen dat de man voor de helft dient bij te dragen in de eigenaarslasten van de woning aan de [adres] te ([postcode]) [plaats 2] ad € 370,- per maand vanaf 14 november 2024 tot aan de datum van overdracht van de woning aan (een) derde(n) en daarbij te bepalen dat de man aan de vrouw dient te voldoen € 80,05 ten behoeve van de sinds juli 2025 door hem te weinig betaalde eigenaarslasten;
- te bepalen dat de inboedelgoederen van partijen worden verdeeld, conform de inboedellijsten van partijen die als productie 35 in het geding zijn gebracht en daarbij te bepalen dat de inboedel wordt toebedeeld aan de vrouw tegen een waarde van € 3.000,-, onder de verplichting voor de vrouw om € 1.500,- aan de man te vergoeden;
- de gezamenlijke bankrekeningen bij de ING en Triodosbank te verdelen conform de peildatum van 14 november 2024, rekening houdend met de reeds door beide partijen gedane overboekingen, waarna de vrouw [rekeningnummer] zal voortzetten en de man zijn medewerking verleent aan de wijziging van de tenaamstelling van de rekening;
- de vordering van de man op zijn werkgever ten aanzien van zijn vakantiegeld toebedelen aan de man, onder de verplichting de helft
(dus € 4.888,62) aan de vrouw te vergoeden wegens overbedeling;
- de hond toe te delen aan de vrouw, zonder nadere verrekening met de man;
- te bepalen dat de aanslag schenkbelasting van € 10.000,- voor rekening komt van partijen, ieder voor de helft, en de man dienaangaande gehouden is om helft van de schuld aan de vrouw te voldoen, zijnde € 5.000,-;
- te bepalen dat de vrouw een vergoedingsrecht van € 48.708,- heeft op de (ontbonden) gemeenschap ter zake van door haar ontvangen schenkingen onder uitsluitingsclausule;
  • primair te bepalen dat de vrouw een vergoedingsrecht van € 187.145,70 heeft op de (ontbonden) gemeenschap ter zake van door haar ontvangen erfrechtelijke verkrijging van haar vader uit hoofde van de nalatenschap van haar moeder en subsidiair te bepalen dat de man geen beroep toekomt op de uitsluitingsclausule in het testament van zijn moeder van 1 maart 1985;
  • te bepalen dat de erfrechtelijke verkrijging van de man uit hoofde van de nalatenschap van zijn moeder jegens zijn vader in de huwelijksgemeenschap van partijen valt;
  • te bepalen dat de man binnen vier weken na datum van de te wijzen beschikking aan de vrouw gegevens verstrekt waaruit de hoogte van de vordering jegens zijn vader uit hoofde van de nalatenschap van zijn moeder blijkt alsmede gegevens ten aanzien van een overeengekomen renteregeling, voor zover daarvan sprake is;
  • de wijze van de verdeling van de erfrechtelijke verkrijging van de man uit hoofde van de nalatenschap van zijn moeder vast te stellen althans te bepalen waarbij de man de helft van de gekapitaliseerde waarde van zijn vordering aan de vrouw dient te voldoen binnen zes weken na datum van de te wijzen beschikking althans de wijze van de verdeling te bepalen zoals uw rechtbank in goede justitie juist acht met vermeerdering van de wettelijke rente vanaf datum ontbinding van het huwelijk;
  • te bepalen dat de man met ingang van de datum indiening verzoekschrift, althans 1 juli 2025, althans bij datum zoals de rechtbank in goede justitie juist acht, aan [jongmeerderjarige], zal voldoen als bijdrage van de kosten van studie en levensonderhoud het bedrag van € 532,- per maand, althans een bijdrage zoals uw rechtbank in goede justitie juist acht, bij vooruitbetaling te voldoen door het bedrag over te maken (uiterlijk) op de eerste dag van de kalendermaand op door [jongmeerderjarige] aan te wijzen bankrekening;
  • te bepalen dat de man met ingang van de datum indiening verzoekschrift, althans 1 juli 2025, althans bij datum zoals uw rechtbank in goede justitie juist acht, aan de vrouw zal voldoen € 1.689,- bruto als bijdrage van de kosten van levensonderhoud van de vrouw, althans een bijdrage zoals uw rechtbank in goede justitie juist acht, bij vooruitbetaling te voldoen door dit bedrag over te maken (uiterlijk) op de eerste dag van de kalendermaand op een door de vrouw aan te wijzen bankrekening;
  • te bepalen dat de man de gegevens verstrekt omtrent alle door hem aangehouden bank- en spaarrekeningen en beleggingen per 14 november 2024, inclusief saldi en waardes, binnen vier weken na datum beschikking,
  • een beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie juist acht.
De man voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.
Echtscheiding
De man en de vrouw hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. Zij verzoeken beiden de echtscheiding uit te spreken, zodat de rechtbank de over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding als op de wet gegrond zal toewijzen.
Voortgezet gebruik van de echtelijke woning
De man en de vrouw hebben afgesproken dat de vrouw in de echtelijke woning zal blijven wonen totdat de woning is verkocht en geleverd aan een derde. Op de zitting is met partijen besproken dat de wettelijke termijn dat de vrouw in de woning kan blijven wonen zes maanden is, welke ingaat nadat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Gelet op de overeenstemming tussen partijen zal de rechtbank het voortgezet gebruik van de echtelijke woning aan de vrouw toekennen.
Alimentatie [jongmeerderjarige]
De vrouw heeft namens [jongmeerderjarige] verzocht te bepalen dat de man als bijdrage in de kosten van studie en levensonderhoud van [jongmeerderjarige] een bedrag van € 532,- per maand aan [jongmeerderjarige] dient te voldoen.
Op grond van artikel 1:395a BW zijn ouders verplicht te voorzien in de kosten van levensonderhoud en studie van hun jongmeerderjarige kinderen die de leeftijd van 21 jaren nog niet hebben bereikt. Voor de vaststelling van de behoefte van jongmeerderjarige kinderen zijn geen maatstaven ontwikkeld. Indien een jongmeerderjarige studeert wordt voor de behoeftebepaling in het algemeen aansluiting gezocht bij de WSF-norm. Voor niet-studerende jongmeerderjarigen kan voor de berekening van de behoefte eveneens aansluiting worden gezocht bij het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud uit de WSF-norm, onder aftrek van de daarin begrepen studiekosten (boeken en leermiddelen). Indien jongmeerderjarigen structurele eigen inkomsten ontvangen kan dit als behoefte verlagend worden aangemerkt.
De WSF-norm voor thuiswonende WO-studenten bedroeg vanaf september 2025 € 1.122,86 per maand. Zoals ter zitting met partijen is besproken staat vast dat [jongmeerderjarige] op zijn 18e levensjaar een bedrag van € 20.000,- van zijn ouders heeft ontvangen. Dit geldbedrag is bestemd om de kosten van de studie te dekken. Zowel de man en de vrouw hebben dat op de zitting erkend. Nu op de zitting is gebleken dat [jongmeerderjarige] gelet op de door hem ontvangen geldbedrag van € 20.000,- op dit moment zelf in zijn behoefte kan voorzien, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw voor vaststelling van alimentatie voor [jongmeerderjarige] afwijzen.
Partneralimentatie
De vrouw stelt zich op het standpunt dat zij behoefte heeft aan een door de man te betalen bijdrage in haar levensonderhoud en verzoekt te bepalen dat de man met ingang van de datum indiening van het verzoekschrift, althans 1 juli 2025 aan de vrouw zal voldoen een bedrag van € 1.689,- per maand.
Ingangsdatum
Op de voet van artikel 1:157 BW Pro treedt de verplichting tot het verschaffen van een uitkering tot levensonderhoud van de vrouw niet eerder in dan op de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Het verzoek van de vrouw om de ingangsdatum eerder te bepalen zal dan ook worden afgewezen.
Behoefte
Op de zitting is gebleken dat partijen in augustus 2024 uit elkaar zijn gegaan. De vrouw heeft haar behoefte berekend aan de hand van de hofnorm, inhoudend dat de behoefte van de alimentatiegerechtigde kan worden gelijkgesteld aan 60% van het NBI van partijen ten tijde van hun uiteengaan minus de kosten van de kinderen. De man heeft dit niet betwist.
Partijen zijn het erover eens dat voor de berekening van de behoefte dient te worden uit gegaan van de gegevens van partijen uit 2024. De vrouw heeft als bijlage 53 een behoefte berekening overgelegd waaruit volgt dat het netto belastbaar gezinsinkomen van partijen in 2024 € 4.981,- bedroeg. De kosten van de kinderen bedroegen toen € 1.182,- waardoor een bedrag van € 3.799,- overbleef. Gelet daarop bedroeg de behoefte van de vrouw in 2024 aan de hand van de hofnorm € 2.427,- (60% van € 3.799,-). Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte € 2.704,-.
De rechtbank zal de berekening van de vrouw aanhechten aan de beschikking.
Behoeftigheid en aanvullende behoefte
De man betwist dat de vrouw behoeftig is. Volgens de man kan de vrouw worden geacht zelf volledig in haar levensonderhoud te voorzien. De vrouw is gepromoveerd en heeft na haar promotie gewerkt als onderzoekster aan de universiteit. De vrouw heeft later zelf besloten minder te gaan werken. Nu volgt de vrouw cursussen op een vakgebied dat niets te maken heeft met haar studie. De man is daarom van mening dat het aan de vrouw zelf te wijten is dat zij nog geen baan en inkomen heeft.
De vrouw is het hier niet mee eens. Zij stelt dat zij destijds in afstemming met de man minder is gaan werken vanwege de adoptie van [meerderjarige] en de komst van [jongmeerderjarige]. Het was belangrijk dat de hechting met [meerderjarige] goed verliep mede gelet op de snelle komst van [jongmeerderjarige] na de adoptie. Daarna is de vrouw weer deels gaan werken. In samenspraak met de man heeft de vrouw vervolgens ontslag genomen in verband met burn-out klachten. De vrouw doet nu haar best om een baan te vinden en heeft daartoe een post-HBO opleiding gedaan in aanvulling op haar studie. De vrouw is inmiddels ook via uitzendbureaus op zoek naar werk.
De rechtbank overweegt gelet op de overgelegde sollicitaties dat de vrouw aantoonbaar zich inspant om arbeid en inkomen te verwerven. Daarnaast acht de rechtbank het ook in het belang van de man dat de vrouw haar mogelijkheden vergroot door zich bij te scholen middels een post-HBO opleiding. De rechtbank vertrouwt er gelet op die opleiding en de sollicitaties op dat de vrouw op termijn een baan zal vinden, en de man daarover inlicht, maar acht het, juist met het oog op de ontwikkeling van haar verdiencapaciteit, van belang de vrouw de ruimte te geven. De rechtbank zal derhalve niet uitgaan van inkomen aan de zijde van de vrouw.
Nu de vrouw geen inkomen genereert is de aanvullende behoefte van de vrouw € 2.704,- netto per maand.
Draagkracht van de man
Vervolgens onderzoekt de rechtbank in hoeverre de man de bijdrage aan de vrouw kan voldoen.
De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de man uit van zijn WIA-uitkering van december 2025 van € 4.198,- per maand, exclusief 8% vakantiegeld. Daarnaast gaat de rechtbank ook uit van een arbeidsongeschiktheidsvergoeding van
€ 2.000,- per maand. Op de zitting is met partijen besproken dat zij ieder de door de man ontvangen arbeidsongeschiktheidsvergoeding op een andere post hadden ingevuld. Partijen hebben op de zitting overeenstemming bereikt dat de arbeidsongeschiktheidsvergoeding wordt opgenomen bij overige werkzaamheden. De rechtbank zal zich hierbij aansluiten.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
- de algemene heffingskorting.
Volgens de vrouw dient er rekening te worden gehouden met de werkelijke woonlasten van de man.
De rechtbank overweegt dat het forfaitair woonbudget als uitgangspunt geldt. Voor een geslaagd beroep om daarvan af te wijken is nodig dat er een compleet beeld is van de werkelijke lasten. De rechtbank beschikt niet over een compleet beeld van de lasten en ziet ook overigens geen aanleiding om af te wijken van het forfaitaire woonbudget.
Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man op € 4.028,- per maand. De rechtbank verwijst hierbij naar de aan de beschikking gehechte berekening.
Op grond van het voorgaande, bedraagt de draagkrachtruimte van de man € 1.510,- per maand. Hiervan is 60% beschikbaar voor partneralimentatie, wat neerkomt op € 906,- netto per maand. Dat is gebruteerd € 1.449,- per maand.
De rechtbank merkt op dat de man heeft toegezegd dat hij de vrouw op de hoogte zal houden over zijn arbeidsongeschiktheidsvergoeding en zijn acties richting Centraal Beheer die er mogelijk toe leiden dat de man een hogere draagkracht zal hebben. De rechtbank gaat er van uit dat partijen met behulp van hun advocaten hier verder uit zullen komen.
Conclusie
Uitgaande van het bovenstaande zal de rechtbank de door de man, met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, aan de vrouw te betalen partneralimentatie bepalen op € 1.449,- bruto per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen.
Aanhechten
De rechtbank heeft een berekening gemaakt van de draagkracht van de man. Deze berekening en ook de door de vrouw gemaakte berekening van de behoefte zoals weergegeven in productie 53 is aan de beschikking gehecht en maakt daarvan onderdeel uit.
Verdeling van de huwelijksgemeenschap
Niet gesteld of gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt.
Gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 van het Burgerlijk Wetboek (BW) – zoals deze artikelen golden tot 1 januari 2018 – moet worden aangenomen dat tussen partijen een algehele gemeenschap van goederen bestond. Het uitgangspunt is dan dat de (door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) ontbonden huwelijksgemeenschap (op grond van artikel 1:100 BW Pro (zoals dat gold tot 1 januari 2018)) bij helfte tussen partijen moet worden verdeeld.
Peildatum
Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding, te weten 14 november 2024. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich brengen – de datum van feitelijke verdeling.
Omvang
De man en de vrouw hebben de volgende vermogensbestanddelen gesteld die in de verdeling zouden moeten worden betrokken:
  • de echtelijke woning aan het adres [adres] te ([postcode]) [plaats 2];
  • de inboedel;
  • de bankrekeningen inclusief beleggingsportefeuille;
  • de auto;
  • de hond;
  • vordering vakantiegeld van de man;
  • de schenkbelasting;
  • de schenkingen van de vader van de vrouw;
Ad 1. de echtelijke woning
De man en de vrouw zijn het erover eens zijn dat de echtelijke woning dient te worden verkocht en geleverd aan een derde. Partijen hebben op de zitting afgesproken dat zij binnen veertien dagen na datum van de beschikking een gezamenlijke opdracht zullen verstrekken aan [makelaarskantoor] tot verkoop van de echtelijke woning. Opdat er geen discussie tussen partijen ontstaat, zal de makelaar partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning. De over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen
De rechtbank zal in het dictum van deze beschikking een ‘spoorboekje’ opnemen, conform de overeenstemming van partijen.
Ad 2. de inboedel
De man en de vrouw zijn overeengekomen dat de inboedel voor een bedrag van € 3.000,- aan de vrouw wordt toebedeeld onder betaling van € 1.500,- aan de man. De rechtbank behoeft hier niet meer op te beslissen.
Partijen hebben daarnaast afgesproken dat zij binnen drie maanden een afspraak maken zodat de man zijn spullen kan ophalen bij de vrouw. Bij deze afspraak zal de vrouw niet aanwezig zijn in de woning, maar zal de man de spullen kunnen ophalen in het bijzijn van een derde persoon, bijvoorbeeld de dochter van partijen of een vriendin van de vrouw.
Deze afspraak leent zich niet voor opname in het dictum, maar geldt tussen partijen.
Ad 3. de bankrekeningen inclusief beleggingsportefeuille
Op zitting is gebleken dat de saldi op de bankrekeningen inclusief de beleggingsportefeuille al tussen partijen zijn verdeeld. De rechtbank behoeft hier niet meer op te beslissen.
Voor zover de vrouw heeft verzocht om gegevens van alle door de man gehouden bank- en spaarrekeningen en beleggingen zal de rechtbank dat verzoek afwijzen nu niet is gebleken dat er op dit moment nog andere bankrekeningen zijn.
Ad 4. de auto
Op de zitting is gebleken dat de auto al is verdeeld. De rechtbank behoeft hier niet meer op te beslissen.
Ad 5. de hond
Uit de stukken is gebleken dat de man en de vrouw afspraken hebben over de hond en dat de rechtbank hier niet meer op behoeft te beslissen.
Ad 6. nabetaling vakantiegeld
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de vordering die de man heeft op zijn werkgever heeft ten aanzien van zijn vakantiegeld aan de man kan worden toebedeeld, onder de verplichting de helft, te weten € 4.888,62 aan de vrouw te vergoeden.
De vakantiegeld vordering betreft inkomsten die zien op een periode voorafgaand aan de peildatum. De man heeft dit op de zitting erkend en verzocht het geldbedrag aan de vrouw te vergoeden op het moment van verdeling van de verkoopopbrengst van de echtelijke woning.
De rechtbank zal aldus beslissen.
Ad 7. de schenkbelasting
De aanslag schenkbelasting van € 10.000,- heeft de vrouw in zijn geheel voldaan. Het betreft een vordering die voor rekening van beide partijen komt. De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man gehouden is om helft van dit bedrag aan de vrouw te voldoen, te weten € 5.000,-. De man heeft dit op de zitting erkend en verzocht zijn aandeel aan de vrouw te vergoeden op het moment van verdeling van de verkoopopbrengst van de echtelijke woning.
De rechtbank zal aldus beslissen.
Ad 8. de schenkingen van de vader van de vrouw
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de vrouw een vergoedingsrecht van € 48.708,- heeft op de (ontbonden) gemeenschap ter zake van door haar ontvangen schenkingen onder uitsluitingsclausule. De man was het hier in beginsel niet mee eens. Op de zitting is de man gewezen op producties 17 en 18 waaruit blijkt dat beide schenkingen onder uitsluiting zijn verkregen waardoor deze niet in de gemeenschap vallen en de vrouw recht heeft op een vergoeding. De man is hiermee akkoord, zodat de rechtbank zal bepalen dat voorafgaand aan de verdeling van de verkoopopbrengst van de echtelijke woning €48.708,- aan de vrouw zal toekomen.
De erfenissen
De erfenis aan de zijde van de vrouw
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat zij een vergoedingsrecht van € 187.145,70 heeft op de (ontbonden) gemeenschap ter zake van door haar ontvangen erfrechtelijke verkrijging van haar vader uit hoofde van de nalatenschap van haar moeder. In het testament van haar moeder is geen uitsluitingsclausule opgenomen. De vrouw stelt dat de haar moeder ten tijde van het opstellen van haar testament niet op de hoogte was van de mogelijkheid om een uitsluitingsclausule op te nemen, althans dat een uitsluitingsclausule dwingend is gelet op de uitspraak van de Hoge Raad die pas later is gepubliceerd. Het is volgens de vrouw naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de erfenis van haar moeder daardoor in de gemeenschap van goederen zou vallen.
De man is het hier niet mee eens. Volgens de man is geen sprake van een vergoedingsrecht voor de vrouw nu de erfenis door het ontbreken van een uitsluitingsclausule in de gemeenschap van goederen valt. De tekst van de testament van de moeder van de vrouw is helder. Het testament is weliswaar in 1981 opgesteld, maar ook in die tijd waren uitsluitingsclausules bekend, dus dat had desgewenst geregeld kunnen zijn. Daarnaast is de moeder van de vrouw in 2010 overleden zodat er voldoende tijd was om het testament aan te passen.
De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen staat vast dat de in het testament van de moeder van de vrouw geen uitsluitingsclausule is opgenomen. De rechtbank ziet geen plaats voor de redelijkheid en billijkheid om alsnog te bewerkstelligen dat de gelden die voortvloeien uit de erfenis buiten de gemeenschap zouden vallen. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom afwijzen.
De erfenis aan de zijde van de man.
Ten aanzien van de erfenis aan de zijde van de man heeft de vrouw verzocht te bepalen dat de erfenis van de man uit hoofde van de nalatenschap van zijn moeder jegens zijn vader in de huwelijksgemeenschap van partijen valt en dat de man zich niet kan beroepen op de uitsluitingsclausule in het testament. De vrouw stelt dat dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
De man verweert zich en voert aan dat uit het testament van zijn moeder blijkt dat de vordering nog niet opeisbaar is en dat er een uitsluitingsclausule is opgenomen. Een eventuele erfrechtelijke aanspraak die de man heeft valt daarom niet in de gemeenschap.
De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen staat vast dat in het testament van de moeder van de man een uitsluitingsclausule is opgenomen. Daarboven op is de vordering van de man nog niet opeisbaar nu de vader van de man nog in leven is. Het is daardoor ook onduidelijk of er na diens overlijden nog geld overblijft. De rechtbank ziet ook hier geen plaats voor de redelijkheid en billijkheid om alsnog te bewerkstelligen dat een nog niet opeisbare vordering in de gemeenschap van goederen zou komen te vallen. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom afwijzen.
De gebruiksvergoeding
Het verzoek ten aanzien van een gebruiksvergoeding is op de zitting ingetrokken zodat de rechtbank hier niet meer op behoeft te beslissen.

Beslissing

De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 1995 te [plaats 1];
*
bepaalt dat de vrouw jegens de man bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning te ([postcode]) [plaats 2] aan het adres [adres] en het gebruik van de zaken die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking, onder de voorwaarde dat de vrouw deze woning op het moment van die inschrijving bewoont en aan de man uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, een partneralimentatie van € 1.449,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
stelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
- met betrekking tot de woning, gelegen aan het adres [adres] te ([postcode]) [plaats 2] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldleningen en polissen:
1. de woning wordt verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) Partijen dienen binnen veertien dagen na datum beschikking een gezamenlijke opdracht te verstrekken aan [makelaarskantoor] tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, te vermeerderen met de waarde van de aan de woning gekoppelde polissen ten tijde van de overdracht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
*
stelt vast dat de man gehouden is aan de vrouw te vergoeden:
  • € 4.888,62 ten aanzien van de vordering nabetaling vakantiegeld;
  • € 5.000,00 ten aanzien van de vordering schenkbelasting;
*
bepaalt dat de vrouw een vergoedingsrecht heeft jegens de gemeenschap voor een bedrag van € 48.708,- ter zake de onder uitsluitingsclausule verkregen schenkingen van de vader van de vrouw;
*
verklaart deze beschikking, met uitzondering van de beslissing met betrekking tot de echtscheiding, tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.G. Meeder, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door A.F. Lemmens als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 27 februari 2026.