Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Voortvarend handelen
Ambtshalve toetsing
Conclusie
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Den Haag
De rechtbank Den Haag heeft op 9 januari 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak betreffende het voortduren van een maatregel van bewaring opgelegd aan een vreemdeling op grond van de Vreemdelingenwet 2000.
De maatregel van bewaring was reeds eerder getoetst en rechtmatig bevonden tot 3 december 2025. De rechtbank beoordeelde nu de periode van 3 december 2025 tot 7 januari 2026. De eiser voerde aan dat er geen zicht was op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn en dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde.
De rechtbank stelde vast dat de situatie omtrent uitzetting niet was gewijzigd en dat verweerder actief contact had gezocht met de Marokkaanse autoriteiten om een laissez-passer te verkrijgen. De weigering van eiser om vingerafdrukken af te staan en deel te nemen aan vertrekgesprekken belemmerde het proces. De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende voortvarend handelde en dat eiser niet voldeed aan zijn medewerkingsplicht.
Ook ambtshalve toetsing aan het arrest van het Hof van Justitie van de EU leidde niet tot een ander oordeel. Er waren geen gronden om het voortduren van de maatregel onrechtmatig te achten, noch dat het familie- en gezinsleven of het non-refoulement-beginsel zich daartegen verzetten. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard wegens voldoende voortvarendheid en onvoldoende medewerking van eiser.