Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6128

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
22 maart 2026
Zaaknummer
C/09/699205 / JE RK 26-209
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:263 BWArt. 4.1.3 JeugdwetArt. 807 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging schriftelijke aanwijzing ter verbetering verzorging en opvoeding minderjarige

De gecertificeerde instelling heeft een schriftelijke aanwijzing gegeven aan de vader van de minderjarige, gericht op het verbeteren van de verzorging en opvoeding. De vader werkte onvoldoende mee aan de hulpverlening, hield contact met hulpverleners tegen en zorgde ervoor dat de minderjarige vaak niet naar school ging of moe was tijdens lessen.

De moeder steunde het verzoek tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing. De kinderrechter stelde vast dat de vader correct was opgeroepen maar niet aanwezig was bij de zitting en geen inhoudelijk verweer voerde.

Op grond van artikel 1:263 BW Pro beoordeelde de kinderrechter dat de schriftelijke aanwijzing zorgvuldig was opgesteld, binnen de taak van de gecertificeerde instelling viel en noodzakelijk was om bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen.

De kinderrechter concludeerde dat de vader onvoldoende medewerking verleende, waardoor de hulpverlening niet van de grond kwam. Daarom werd de schriftelijke aanwijzing van 16 januari 2026 bekrachtigd. Tegen deze beslissing is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: De kinderrechter bekrachtigt de schriftelijke aanwijzing aan de vader wegens onvoldoende medewerking aan hulpverlening en zorgen over de ontwikkeling van de minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/699205 / JE RK 26-209
Datum uitspraak: 19 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. F.G.T. Meershoek uit Den Haag,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 6 februari 2026;
  • de brief van de vader van 16 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de moeder;
- [naam] namens de gecertificeerde instelling.
De vader en de moeder zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader en de moeder wel juist zijn opgeroepen.
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft geen mening gegeven.

2.De feiten

2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] woont bij zijn vader.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 6 augustus 2025 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 11 augustus 2026.
2.4.
De gecertificeerde instelling heeft op 16 januari 2026 een schriftelijke aanwijzing aan de vader gegeven betreffende de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . Hierin is het volgende opgenomen:
  • U werkt goed mee met de hulp die is gestart en u werkt samen met de jeugdbeschermer. Dit betekent dat u zich aan de afspraken houdt met de hulpverleners en met de jeugdbeschermer. U zorgt er ook voor dat u bereikbaar bent voor school, de hulpverleners en de jeugdbeschermer. U reageert op berichten, telefoontjes en e-mails. Dit is uw eigen verantwoordelijkheid.
  • Het is belangrijk dat de mensen die [de minderjarige] helpen hem kunnen zien, met hem kunnen praten en hem kunnen onderzoeken. Alleen dan kan de hulp beginnen en kunnen zij goed kijken hoe het met zijn veiligheid en ontwikkeling gaat. U zorgt er ook voor dat [de minderjarige] op school is en bij de hulpverlening komt, zodat de hulp niet vastloopt.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing van – na toelichting op de zitting – 16 januari 2026.
3.2.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek, kort en zakelijk weergegeven, als volgt onderbouwd. Het lukt de gecertificeerde instelling en de hulpverleningsinstanties niet om afspraken te maken en tot een samenwerking te komen met de vader. Er is meermaals duidelijk gemaakt aan de vader dat het belangrijk is dat hij contact houdt, maar hij houdt zich niet aan de afspraken. De vader heeft slechts één keer de deur opengedaan tijdens een onverwachts huisbezoek in de avond. De gecertificeerde instelling maakt zich ondertussen grote zorgen om het welzijn en de ontwikkeling van [de minderjarige] . Hij is vaak moe op school en mist veel lessen. [de minderjarige] heeft begeleiding en traumaverwerking nodig om zich goed te kunnen ontwikkelen. Het is van belang dat de behandeling bij [afdeling] van Youz en de coach vanuit Coach Vooruit kunnen starten, maar daarvoor is contact en medewerking van de vader nodig. De vader geeft geen toestemming om [de minderjarige] van school op te halen en houdt [de minderjarige] thuis als de gecertificeerde instelling hem op school wil zien. De vader staat ook niet open voor hulpverlening of begeleiding voor zichzelf. Als de bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing onvoldoende effect heeft zal er gekeken worden naar andere maatregelen, zoals een uithuisplaatsing.

4.De standpunten

4.1.
De advocaat heeft namens de moeder naar voren gebracht dat de moeder zich veel zorgen maakt om [de minderjarige] , met name om zijn schoolgang. [de minderjarige] valt regelmatig in slaap op school waardoor hij niet aan leren toekomt. De moeder staat achter het verzoek van de gecertificeerde instelling om de schriftelijke aanwijzing van de vader te bekrachtigen opdat de hulpverlening hopelijk van de grond komt en er geen verdergaande maatregelen nodig zijn.

5.De beoordeling

Wettelijk kader
5.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 1:263, eerste lid, Burgerlijk Wetboek (BW) kan de gecertificeerde instelling ter uitvoering van haar taak schriftelijke aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De gecertificeerde instelling kan dit doen indien de met het gezag belaste ouder(s) of de minderjarige niet instemmen met, dan wel niet of onvoldoende medewerking verlenen aan de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 4.1.3, eerste lid, van de Jeugdwet of indien dit noodzakelijk is teneinde de concrete bedreigingen in de ontwikkeling van de minderjarige weg te nemen.
5.2.
Op grond van artikel 1:263, tweede lid, BW volgen de met het gezag belaste ouder(s) of de minderjarige een schriftelijke aanwijzing op. Op grond van het derde lid van dit artikel kan de gecertificeerde instelling de kinderrechter verzoeken een schriftelijke aanwijzing te bekrachtigen.
Ontvankelijkheid van het verzoek
5.3.
De kinderrechter moet eerst beoordelen of de gecertificeerde instelling ontvankelijk is in haar verzoek. De gecertificeerde instelling heeft de vader op
16 januari 2026 een schriftelijke aanwijzing gestuurd en heeft op 6 februari 2026 een verzoek tot bekrachtiging van deze schriftelijke aanwijzing bij de rechtbank ingediend. Er is dan ook minstens twee weken verstreken tussen het uitreiken van de schriftelijke aanwijzing aan de vader en het indienen van het verzoek tot bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing. De kinderrechter stelt dan ook vast dat de gecertificeerde instelling ontvankelijk is in haar verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
5.4.
De kinderrechter stelt voorop dat de vader weliswaar een brief heeft gestuurd (met name om toe te lichten waarom hij niet naar de zitting komt), maar in de brief geen verweer heeft gevoerd tegen het verzochte.
5.5.
Niet in geschil is dat de schriftelijke aanwijzing zorgvuldig tot stand is gekomen en voldoende is gemotiveerd. Vervolgens moet de kinderrechter toetsen of de gecertifieerde instelling de schriftelijk aanwijzing heeft mogen geven. Deze vraag beantwoordt de kinderrechter bevestigend. De kinderrechter vindt dat de schriftelijke aanwijzing valt binnen de uitvoering van de taak van de gecertificeerde instelling en dat deze de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] betreft. Verder is de schriftelijke aanwijzing noodzakelijk om de concrete bedreiging in de ontwikkeling van [de minderjarige] weg te nemen. Ook dit is niet in geschil.
5.6.
Op basis van de stukken en de zitting kan naar het oordeel van de kinderrechter de schriftelijke aanwijzing worden bekrachtigd. De vader heeft onvoldoende medewerking verleend aan de uitvoering van het plan van aanpak en daarmee samenhangend de schriftelijke aanwijzing.
5.7.
De kinderrechter overweegt daartoe dat de vader structureel het contact met de gecertificeerde instelling en de hulpverleningsinstanties afhoudt waardoor er geen samenwerking tot stand komt en er onvoldoende zicht is op de opvoedsituatie en de opvoedvaardigheden van de vader. De vader geeft ook onvoldoende medewerking aan de benodigde hulpverlening voor [de minderjarige] , terwijl er ernstige zorgen zijn om zijn ontwikkeling. Er is sprake van een hoog schoolverzuim bij [de minderjarige] en als hij wel op school is dan is hij moe en komt hij niet aan leren toe. Er lijkt sprake van trauma’s bij [de minderjarige] en hij heeft moeite met het uiten van zijn emoties. Het is dan ook van belang dat de behandeling bij [afdeling] van Youz en de coaching van Coachvooruit van de grond komen. De kinderrechter zal de schriftelijke aanwijzing daarom bekrachtigen.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
bekrachtigt de schriftelijke aanwijzing van 16 januari 2026;
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 februari 2026 door mr.drs. W.G. de Boer, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. V.A.H. Schoorl als griffier, en op schrift gesteld op 4 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open. [1]

Voetnoten

1.Artikel 807 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).