Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6118

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
22 maart 2026
Zaaknummer
C/09/685408 / FA RK 25-3701
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377e BWArt. 1:402 BWArt. 3 AlimentatieverordeningHaags Protocol 2007
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging zorgregeling en vaststelling kinderalimentatie na echtscheiding

Partijen zijn sinds 2020 gescheiden en hebben drie minderjarige kinderen. De moeder heeft het hoofdverblijf van de kinderen en verzorgt het grootste deel van de zorg. De vader werkt momenteel niet fulltime en betaalt geen kinderalimentatie. De moeder verzoekt wijziging van de zorgregeling en vaststelling van kinderalimentatie, terwijl de vader verzoekt om wijziging van de hoofdverblijfplaats naar hem toe.

De rechtbank oordeelt dat de hoofdverblijfplaats bij de moeder blijft, omdat zij de hoofdverzorger is en er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor wijziging. De zorgregeling wordt aangepast zodat de kinderen iedere zondag van 10:00 tot 19:00 uur bij de vader verblijven, inclusief de helft van de vakanties in onderling overleg. Een dwangsom wordt niet opgelegd omdat de vader de zorgregeling op zondag goed nakomt.

De rechtbank stelt de kinderalimentatie vast op €273 per maand per kind, ingaande 19 februari 2026, gebaseerd op een berekening van de behoefte van de kinderen en de draagkracht van de ouders. De vader heeft onvoldoende financiële gegevens overlegd, waardoor de rechtbank uitgaat van een geschatte winst uit onderneming van €80.000 bruto per jaar. De moeder ontvangt een draagkracht van €334 en de vader €1.307 per maand. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De zorgregeling wordt gewijzigd, de hoofdverblijfplaats blijft bij de moeder en de vader moet kinderalimentatie betalen van €273 per maand per kind.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-3701
Zaaknummer: C/09/685408
Datum beschikking: 19 februari 2026

Kinderalimentatie, zorgregeling en hoofdverblijfplaats

Beschikking op het op 16 mei 2025 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N. Çiçek te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C. Arslaner te Leidschendam.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • de F9-formulieren van 27 mei 2025 van de zijde van de moeder, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 24 juni 2025 van de zijde van de moeder, met bijlage;
  • het verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek;
  • het verweer tegen het zelfstandig verzoek;
  • het F9-formulier van 5 januari 2026 van de zijde van de moeder, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 11 januari 2026 van de zijde van de vader, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 19 januari 2026 van de zijde van de moeder, met bijlagen.
De minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de verzoeken, maar hebben hier geen gebruik van gemaakt.
Op 22 januari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat en vergezeld door een tolk G. Günes;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat en vergezeld door een tolk M.A. Budak;
  • [naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Feiten

- Partijen zijn gehuwd geweest van 2013 tot 2020.
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats 1] ( [geboorteland] ),
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2013 te [geboorteplaats 1] ( [geboorteland] ),
-
-[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2018 te [geboorteplaats 2] .
- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over de kinderen uit.
- De moeder en de kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit. De vader heeft de Turkse nationaliteit.
- Bij beschikking van 14 oktober 2020 van deze rechtbank is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Aan deze beschikking is een door partijen ondertekend ouderschapsplan gehecht. Hierin zijn de ouders – voor zover hier van belang – overeengekomen dat:
  • de kinderen hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de moeder;
  • een zorgregeling geldt, waarbij de kinderen iedere zaterdag en zondag van 12:00 uur tot 18:00 uur bij de vader zijn;
  • de ouders naar draagkracht zullen bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. De vader werkt op dit moment niet en daarom hoeft hij naast de kosten die hij voor zijn rekening neemt als de kinderen bij hem verblijven, geen kinderalimentatie te betalen wegens het ontbreken van draagkracht.

Verzoek en verweer

De moeder verzoekt – na wijziging – :
  • de zorgregeling te wijzigen in die zin dat de kinderen wekelijks van zaterdag 11:00 uur tot zondag 18:00 uur bij de moeder zijn, waarbij de vader de kinderen haalt en brengt;
  • te bepalen dat de vader een dwangsom van € 250,- verbeurt voor iedere keer dat hij de zorgregeling niet nakomt, tot een maximum van € 15.000,-;
  • te bepalen dat de vader met ingang van 1 mei 2025 aan de moeder zal betalen een bedrag van € 325,- per maand per kind, althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie redelijk acht, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast heeft de vader zelfstandig verzocht:
  • primair:de hoofdverblijfplaats van de kinderen te wijzigen in die zin dat zij hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vader met ingang van zodanige datum als de rechtbank in goede justitie verneemt te behoren;
  • subsidiair:te bepalen dat de vader, met ingang van de datum van deze beschikking dan wel een datum die de rechtbank in goede justitie redelijk acht, aan de moeder zal betalen een bedrag van € 45,- per maand per kind, althans een bedrag dat de rechtbank in goede justitie redelijk acht per kind per maand, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De moeder heeft verweer gevoerd tegen de zelfstandige verzoeken van de vader, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Hoofdverblijfplaats
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek ten aanzien van de hoofdverblijfplaats.
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a BW kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen daaromtrent op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Nu tijdens de mondelinge behandeling een schikking op de voet van het vijfde lid van dat wetsartikel tussen de ouders onmogelijk is gebleken, zal de rechtbank een beslissing nemen die haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt.
Inhoudelijke beoordeling
De vader stelt dat zowel de moeder als de kinderen hebben aangegeven dat hij de volledige verzorging en opvoeding van de kinderen moet overnemen. Gelet daarop verzoekt hij de hoofdverblijfplaats van de kinderen te wijzigen, in die zin dat zij voortaan hun hoofdverblijfplaats bij de vader zullen hebben.
De moeder heeft op de zitting aangegeven dat zij degene is geweest, zowel voor- als na de scheiding, die de dagelijkse zorg voor de kinderen heeft. De kinderen zijn op dit moment alleen op de zondag van 11:00 uur tot 17:00 uur bij de vader. De moeder ervaart overbelasting in de zorg en opvoeding van de kinderen en voelt zich daarin onvoldoende gesteund door de vader.
Op de zitting heeft de rechtbank met de ouders gesproken over de dagelijkse zorg van de kinderen. De rechtbank is gebleken dat de moeder al langere tijd het grootste gedeelte van de verzorging en opvoeding van de kinderen op zich neemt. De kinderen zijn doordeweeks en op de zaterdag bij de moeder. Op zondagen zijn zij overdag bij de vader. Daarmee is de moeder de hoofdverzorger van de kinderen. De rechtbank ziet onvoldoende aanknopingspunten om daar verandering in te brengen. Het verzoek van de vader zal dan ook worden afgewezen. Dit betekent dat de kinderen hun hoofdverblijfplaats zullen houden bij de moeder.
Voorgaande neemt niet weg dat de rechtbank begrip heeft voor de situatie van de moeder. Zij wil graag erkenning van de vader en staat financieel erg onder druk. Daarom zal de rechtbank hierna een duidelijke zorgregeling vaststellen die recht doet aan de huidige situatie en een kinderalimentatie bepalen.
Wijziging zorgregeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van de kinderen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek ten aanzien van de zorgregeling.
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253a vierde lid in samenhang met artikel 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een beslissing inzake de zorgregeling alsmede een door de ouders onderling getroffen zorgregeling onder meer wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd.
Inhoudelijke beoordeling
Op de zitting heeft de moeder aangegeven dat zij ontlast wil worden in de verzorging en opvoeding van de kinderen. Zij wenst – zo begrijpt de rechtbank – dat de vader de kinderen iedere vrijdag uit school tot zondag 18:00 uur bij zich heeft.
De vader heeft op de zitting aangegeven dat hij een eigen onderneming heeft en daardoor van maandag tot zaterdagmiddag aan het werk is. Als de zorgregeling wordt gewijzigd, in die zin dat hij de kinderen van vrijdag uit school tot zondag 18:00 uur bij zich heeft, zal dit hem erg veel moeite kosten, aldus de vader.
De rechtbank overweegt als volgt. De zorgregeling, zoals vastgelegd in het ouderschapsplan, wordt al langere tijd niet meer uitgevoerd. Op dit moment verblijven de kinderen iedere zondag omstreeks 11:00 uur tot 17:00 uur bij de vader en zijn zij de overige tijd bij de moeder. Ook verblijven de kinderen tijdens de vakanties regelmatig bij de vader. De moeder wil dat de kinderen vaker bij de vader zijn, zodat zij wordt ontlast. Enerzijds geeft de vader aan dat hij de kinderen meer bij zich wil hebben, waaronder doordeweeks. Anderzijds geeft hij aan dat hij het grootste gedeelte van de week aan het werk is en dat hij daardoor geen tijd heeft om de kinderen op te vangen. De rechtbank is, gelet op de (jonge) leeftijd van de kinderen, van oordeel dat de kinderen op dagelijkse basis nog veel zorg en ondersteuning nodig hebben. De rechtbank kan onvoldoende vaststellen of de vader deze zorg en ondersteuning doordeweeks, dan wel van vrijdag uit school tot zondagavond, kan bieden. Zij acht het daarom in het belang van de kinderen om de zorgregeling, zoals partijen die reeds uitvoeren, zo goed als ongewijzigd te laten. Omdat de vader heeft aangegeven dat hij de kinderen vaak eerder dan 11:00 uur ophaalt en de rechtbank het van belang acht dat zij met elkaar avondeten, zal de rechtbank de zorgregeling als volgt wijzigen: de kinderen verblijven iedere zondag van 10:00 uur tot 19:00 uur bij de vader, waarbij de vader het halen en brengen voor zijn rekening neemt.
Ook heeft de rechtbank met partijen gesproken over de vakanties. Daarbij heeft de vader aangegeven dat het geen probleem voor hem is om de kinderen de helft van de vakanties bij zich te hebben. Omdat de moeder hiermee wordt ontlast, zal de rechtbank bepalen dat de vakanties bij helfte en in onderling overleg tussen de ouders te bepalen, worden verdeeld.
Dwangsom
De moeder verzoekt een dwangsom te verbinden aan de nakoming van de zorgregeling, omdat de vader de huidige zorgregeling regelmatig niet nakomt.
Volgens de vader zijn er geen gronden voor het opleggen van een dwangsom. Bovendien komt hij de huidige zorgregeling ruimschoots na.
Op de zitting is gebleken dat de kinderen al enige tijd alleen op de zondag bij de vader zijn in plaats van op de zaterdag
ende zondag. Deze zorgregeling wordt gewijzigd. Verder staat vast dat de vader de zorgregeling op de zondag goed uitvoert. De rechtbank acht het dan ook niet nodig om aan de nakoming van deze zorgregeling een dwangsom te verbinden.
Kinderalimentatie
Vooraf
Het is de rechtbank gebleken dat de vader sinds het uiteengaan van partijen geen financiële bijdrage in de kosten van de kinderen aan de moeder voldoet. Hij maakt wel maandelijks op onrechtmatige basis geldbedragen tussen 30 - 50 euro over aan de oudste dochter van partijen. De moeder heeft evenwel behoefte aan een bijdrage in de dagelijkse kosten van de kinderen, zoals onder meer eten, drinken, kosten van wonen, energie, kleding etc. De rechtbank zal daarom kinderalimentatie vaststellen en bezien welke bijdrage de vader hierin kan voldoen.
Rechtsmacht en toepasselijk rechtDe Nederlandse rechter is op grond van artikel 3 van Pro de Alimentatieverordening bevoegd om van de alimentatieverzoeken kennis te nemen. De rechtbank zal op grond van artikel 3 van Pro het Haags Protocol 2007 het Nederlandse recht toepassen op de verzoeken met betrekking tot de kinderalimentatie, nu de onderhoudsgerechtigde ( [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ) hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben.
Inhoudelijke beoordeling
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: de expertgroep) opgenomen in het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Ingangsdatum
De rechtbank zal om proceseconomische redenen eerst de ingangsdatum van de kinderalimentatie vaststellen.
De moeder verzoekt de ingangsdatum op 1 mei 2025 te bepalen.
De vader voert hiertegen verweer en stelt dat moet worden uitgegaan van de datum van deze beschikking. Volgens de vader koopt hij regelmatig spullen voor de kinderen, maakt hij wekelijks geld over naar de rekening van hun oudste dochter en geeft hij de kinderen ook wel eens contant geld.
De rechtbank overweegt dat uit artikel 1:402 eerste Pro lid van het Burgerlijk Wetboek volgt dat de wetgever de rechter een grote mate van vrijheid laat bij het vaststellen van de ingangsdatum. De ingangsdatum mag ook in het verleden of de toekomst liggen. Daarbij liggen drie ingangsdata het meest voor de hand:
  • de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn;
  • de datum van indiening van het verzoekschrift;
  • de datum van de beschikking.
Volgens vaste jurisprudentie moet de rechtbank terughoudend omgaan met het vaststellen van een alimentatieverplichting met terugwerkende kracht. De rechtbank is van oordeel dat in deze situatie geen sprake is van zodanige omstandigheden die vaststelling van de kinderalimentatie met terugwerkende kracht rechtvaardigen. De vader heeft aangetoond dat hij regelmatig geld overmaakt naar de oudste dochter van partijen. De rechtbank gaat ervan uit dat dit geld wordt gebruikt om (gedeeltelijk) in de kosten van de kinderen te voorzien. De rechtbank acht het daarom redelijk om de datum van deze beschikking als ingangsdatum te hanteren.
Behoefte van de kinderen
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van de kinderen is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal daarom hierna de behoefte vaststellen.
Voor het bepalen van de behoefte moet allereerst het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) tijdens hun huwelijk worden bepaald. Het NBGI bestaat uit het netto besteedbaar inkomen (NBI) van beide partijen samen, eventueel inclusief kindgebonden budget.
De ouders zijn in oktober 2020 gescheiden.
De moeder stelt dat de behoefte van de kinderen moet worden berekend op basis van het huidige inkomen van de vader, omdat zijn huidige inkomen aanzienlijk hoger is dan het gezinsinkomen in 2020. In 2020 had de moeder geen baan en werkte de vader als automonteur, waarbij hij een inkomen had van € 2.500,- bruto per maand. Op dit moment exploiteert de vader een autogarage. De moeder schat zijn winst uit onderneming op € 80.000,- bruto per jaar.
De vader geeft aan dat hij in 2020 geen inkomen had, maar dat hij hier op dit moment wel over beschikt. Samen met een compagnon heeft hij een autogarage overgenomen, waarbij hij zichzelf € 2.500 netto per maand uitkeert.
De rechtbank overweegt dat onder 3.2.8. van het rapport de volgende aanbeveling staat opgenomen:
“Stijging van het eigen aandeel na een latere aanzienlijke inkomensstijging van een van de ouders
Wanneer het inkomen van een ouder na scheiding zodanig stijgt dat het hoger is dan het (gezins)inkomen tijdens het huwelijk of de samenleving, is de expertgroep van mening dat dit invloed moet hebben op de hoogte van het eigen aandeel. Indien het gezinsverband zou hebben voortgeduurd, zou die verhoging immers ook een positieve invloed hebben gehad op het bedrag dat voor de kinderen zou zijn uitgegeven. In dat geval bepalen we het eigen aandeel op basis van dat hogere inkomen van die ouder opnieuw.”
Uit de door de vader overgelegde bankrekening leidt de rechtbank af dat hij vennoot is in de V.O.F. [bedrijfsnaam] . Volgens de vader is dit een autogarage en heeft de Vof net een andere autogarage overgenomen. Ten aanzien van deze onderneming heeft de vader geen enkel financieel stuk overgelegd. Van de vader wordt verwacht dat hij tenminste de jaarrekeningen over de afgelopen drie tot vijf jaar in het geding brengt. Ook heeft de vader geen aangiftes IB overgelegd. Hij heeft enkel afschriften van een betaalrekening van de ING bank overgelegd waarop te zien is dat zichzelf een arbeidsvergoeding uitkeert van € 2.500,- netto per maand. De vader heeft hiermee volstrekt onvoldoende inzicht gegeven in zijn financiële situatie. Bij deze stand van zaken sluit de rechtbank aan bij de stelling van de moeder dat de vader een winst uit onderneming heeft van € 80.000,- bruto per jaar.
Ervan uitgaande dat het gezinsinkomen van de ouders in 2020 een stuk lager is dan € 80.000,- bruto per jaar, zal de rechtbank – conform het rapport – de behoefte van de kinderen op basis van het huidige inkomen van de vader vaststellen.
Behoefte van de kinderen op basis van het huidige inkomen van de vader
De rechtbank gaat voor de berekening van het huidige NBI van de vader uit van een winst uit onderneming van € 80.000,- bruto per jaar.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
  • de algemene heffingskorting;
  • de arbeidskorting;
  • de zelfstandigenaftrek;
  • de MKB-winstvrijstelling;
  • de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW.
Op basis van deze gegevens berekent de rechtbank het huidige NBI van de vader op € 4.617,- per maand.
Nu geen rekening wordt gehouden met inkomen aan de zijde van de moeder, bedraagt ook het NBGI van partijen € 4.617,- per maand. De ouders hebben dan recht op een (fictief)kindgebonden budget van € 578,- per maand.
Aan de hand van de ‘Tabel Eigen Aandeel Kosten Kinderen’ stelt de rechtbank de behoefte uitgaande van drie kinderen op € 1.266,- per maand, te weten € 422,- per maand per kind. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Vervolgens dient te worden beoordeeld in welke verhouding deze behoefte van de kinderen tussen de ouders moet worden verdeeld. Daarvoor is het van belang de draagkracht van de ouders te berekenen.
Draagkracht moeder
Voor de berekening van de draagkracht van de moeder gaat de rechtbank uit van een gemiddeld inkomen van € 1.464,- bruto per maand, te vermeerderen met 8 % vakantiegeld. De rechtbank baseert zich hierbij op de door de moeder overgelegde betaalspecificaties van het UWV over de maanden oktober en november 2025.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:
  • de algemene heffingskorting;
  • de arbeidskorting;
  • de inkomensafhankelijke combinatiekorting;
  • het kindgebonden budget;
  • de alleenstaande ouderkop.
Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het huidige NBI van de moeder op € 2.631,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de moeder hoger is dan € 2.200,- zal de rechtbank voor de berekening van haar draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-) gebruiken. De draagkracht van de moeder bedraagt dan: 70% x [2.631 – ( 789 + 1.365)] = € 334,- per maand.
Draagkracht vader
De rechtbank gaat voor de bepaling van de draagkracht van de vader uit van hetzelfde NBI als bij de behoefte.
Omdat het NBI van de vader hoger is dan € 2.200,- zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-) gebruiken. De draagkracht van de vader bedraagt dan: 70% x [4.617 – ( 1.385 + 1.365)] = € 1.307,- per maand.
Gezamenlijke draagkracht
De draagkracht van de ouders bedraagt (334 + 1.307 =) € 1.641,- per maand. Dit is voldoende om in de behoefte van de kinderen te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:
het eigen aandeel van de moeder: 334 / 1.641 x 422 = 86
het eigen aandeel van de moeder: 1.307 / 1.641 x 422 = 336
samen 422
Van de totale behoefte van de kinderen komt dus een gedeelte van € 86,- per maand per kind voor rekening van de moeder en een gedeelte van € 336,- per maand per kind voor de vader.
Zorgkorting
Gelet op de zorgregeling, zoals deze bij onderhavige beschikking wordt gewijzigd, ziet de rechtbank aanleiding om in haar berekening uit te gaan van een zorgkortingspercentage van 15 %. De zorgkorting bedraagt dan € 63,- per maand per kind (15 % van € 422,-).
Conclusie
Uitgaande van het bovenstaande zal de rechtbank de door de vader met ingang van 19 februari 2026, aan de moeder ten behoeve van de kinderen te bepalen kinderalimentatie bepalen op € 819,- per maand, te weten € 273,- per maand per kind.
Het meer of anders verzochte ten aanzien van de kinderalimentatie zal de rechtbank afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:
*
wijzigt de zorgregeling, in die zin dat de kinderen iedere zondag van 10:00 uur tot 19:00 uur bij de vader verblijven, alsmede gedurende de helft van de vakanties in onderling overleg tussen de ouders te bepalen, waarbij de vader het halen en brengen voor zijn rekening neemt;
*
bepaalt dat de vader aan de moeder, met ingang van 19 februari 2026, een kinderalimentatie ten behoeve van de kinderen van € 273,- per maand per kind zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af (het meer of anders verzochte) ten aanzien van de hoofdverblijfplaats, de zorgregeling en de daaraan verbindende dwangsom en de kinderalimentatie.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. F.M. Wijvekate als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 19 februari 2026.