ECLI:NL:RBDHA:2026:6099

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
22 maart 2026
Zaaknummer
C/09/680688 / HA RK 25-100
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 RWNArt. 15 RWNArt. 17 RWNArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot vaststelling niet bezitten Nederlandse nationaliteit wegens staatloosheid

Verzoeker, geboren in 1989 en van Koerdische afkomst, bezat sinds zijn geboorte zowel de Nederlandse als de Turkse nationaliteit. Na afstand te hebben gedaan van de Turkse nationaliteit in september 2023, wenst verzoeker nu afstand te doen van de Nederlandse nationaliteit, waardoor hij staatloos zou worden. Hij heeft op 17 mei 2024 een verklaring tot afstand van de Nederlandse nationaliteit afgelegd bij de burgemeester, die deze verklaring echter geen rechtsgevolg toekende.

Verzoeker beroept zich op het recht op zelfbeschikking, persoonlijke autonomie en internationale verdragen die volgens hem vrijwillige staatloosheid niet verbieden. De IND voert verweer dat de Nederlandse wet en internationale verdragen het verlies van de Nederlandse nationaliteit verbieden indien dit tot staatloosheid leidt, en dat verzoeker daarom geen afstand kan doen van zijn Nederlandse nationaliteit.

De rechtbank overweegt dat de Rijkswet op het Nederlanderschap limitatief bepaalt op welke wijze het Nederlanderschap kan worden verloren, waarbij staatloosheid moet worden voorkomen. De rechtbank stelt vast dat verzoeker geen andere nationaliteit bezit en dat afstand doen van de Nederlandse nationaliteit daarom niet mogelijk is. De rechtbank wijst het verzoek af en veroordeelt de IND niet in de proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling dat verzoeker niet de Nederlandse nationaliteit bezit wordt afgewezen omdat afstand doen van de Nederlandse nationaliteit niet mogelijk is zonder andere nationaliteit en staatloosheid te voorkomen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer
Rekestnummer: HA RK 25-100
Zaaknummer: C/09/680688
Datum beschikking: 19 februari 2026

Beschikking op het op 19 februari 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoeker],

verzoeker,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J. Hemelaar te Leiden.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,
verder te noemen “de IND”),
zetelende te ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: mr. [gemachtigde].

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift, met bijlagen;
- de brief van de IND van 23 maart 2025;
- de brief van verzoeker van 8 april 2025, met bijlagen;
- de brief van de IND van 16 juli 2025, met bijlagen;
- de brief van verzoeker van 20 augustus 2025;
- het e-mailbericht van de IND van 21 augustus 2025;
- de brief van verzoeker van 24 september 2025, met bijlage;
- het e-mailbericht van de IND van 28 oktober 2025.
Op 15 januari 2026 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat, en [gemachtigde] namens de IND. Door verzoeker is tijdens de zitting een persoonlijke toelichting overgelegd.

Verzoek en het standpunt van de IND

Het verzoekschrift strekt op de voet van artikel 17 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) tot vaststelling van het niet bezitten van het Nederlanderschap van verzoeker, een en ander met veroordeling van de IND in de kosten van deze procedure.
De IND concludeert tot afwijzing van het verzoek.

Feiten

- Verzoeker is geboren op [geboortedatum] 1989 in [geboorteplaats].
- Verzoeker bezat sinds zijn geboorte de Nederlandse en de Turkse nationaliteit.
- Verzoeker heeft, blijkens een verklaring van de Turkse Ministry of Interior, op 5 september 2023 afstand gedaan van zijn Turkse nationaliteit en is nu alleen nog in het bezit van de Nederlandse nationaliteit.

Beoordeling

Verzoeker wenst dat in deze procedure wordt vastgesteld dat hij afstand heeft gedaan van zijn Nederlandse nationaliteit en dat hij dus zonder nationaliteit is. In geschil is of verzoeker in dit geval afstand kan doen van zijn Nederlandse nationaliteit.
Verzoeker stelt dat dit het geval is en voert daartoe, verkort weergegeven, het volgende aan. Verzoeker is van Koerdische afkomst. Oorspronkelijk was hij in het bezit van zowel de Turkse als de Nederlandse nationaliteit. Verzoeker heeft afstand gedaan van de Turkse nationaliteit en heeft nu alleen nog de Nederlandse nationaliteit. Verzoeker voelt zich sterk verbonden met de Koerdische bevolking. Deze bevolkingsgroep heeft tot op heden echter geen eigen, erkende staat, zodat hij niet de Koerdische nationaliteit kan verkrijgen. Verzoeker is door een aantal omstandigheden steeds verder vervreemd geraakt van de Nederlandse maatschappij en wenst om die reden afstand te doen van de Nederlandse nationaliteit. Verzoeker heeft om dat te bewerkstelligen op 17 mei 2024 een verklaring tot afstand van de Nederlandse nationaliteit afgelegd bij de burgemeester van
[plaats]. De burgemeester heeft aangegeven dat die afstandsverklaring geen rechtsgevolg heeft, omdat verzoeker naast de Nederlandse geen andere nationaliteit (meer) bezit en een ander tot gevolg zou hebben dat verzoeker zonder nationaliteit is en dus staatloos.
Verzoeker beroept zich op het recht op zelfbeschikking en persoonlijke autonomie, alsmede het recht op etnische en culturele zelfbeschikking en identiteit en gelijke behandeling. De weigering om verzoeker toe te staan om staatloos te worden is in strijd met verschillende internationale verdragen. In die verdragen wordt, zo betoogt verzoeker, nergens vermeld dat een individu niet uit vrije wil afstand mag doen van zijn staatsburgerschap, zelfs als dat resulteert in staatloosheid. Het doel van de verdragen is het tegengaan van onvrijwillige staatloosheid, maar er volgt niet uit dat vrijwillige staatloosheid niet mogelijk zou zijn. Toewijzing van het verzoek is de enige beslissing die recht doet aan de autonomie en de vrije uitoefening van het recht op identiteit(ontplooiing) van verzoeker, aan de samenhang van het internationaal recht en aan de fundamentele beginselen van een rechtsstaat die menselijke waardigheid centraal stelt. Het afwijzen van het verzoek van verzoeker levert een schending op van de door die verdragen beschermde rechten.
De IND voert verweer en geeft aan dat, nu verzoeker alleen de Nederlandse nationaliteit heeft, het niet mogelijk is dat verzoeker afstand doet van de Nederlandse nationaliteit. Een van de redenen om de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap van 1892 te vervangen door een nieuwe nationaliteitswet, was dat Nederland in de loop der jaren meerdere internationale verdagen had gesloten ter voorkoming van staatloosheid. In overeenstemming met de verdragsbepalingen is in de RWN van 1 januari 1985 in artikel 14 lid Pro 2 (sinds 1 april 2003 in artikel 14 lid 8 RWN Pro) opgenomen dat geen verlies van het Nederlanderschap uit welke hoofde ook plaatsvindt indien staatloosheid daarvan het gevolg zou zijn. In de Memorie van Toelichting (MvT) bij dit artikel staat onder meer dat: “
in de tweede plaats treedt nooit verlies in wanneer staatloosheid daarvan het gevolg zou zijn. […]. De in de artikelen 14-16 vervatte verliesgronden moeten als limitatief worden beschouwd. […] De verwerping van het Nederlanderschap mag evenwel niet tot staatloosheid leiden.” Daarnaast staat in de MvT bij de toelichting op artikel 15 onder Pro b: “
afstand is op grond van artikel 14, tweede lid, niet mogelijk indien men uitsluitend Nederlander is”. De in de internationale verdragen opgenomen beginselen zijn in de Nederlandse wet opgenomen juist met het oog op het voorkomen van staatloosheid en niet met het oog op het bevorderen of toestaan van staatloosheid. De stelling van verzoeker dat hij om hem moverende redenen toch afstand kan doen van de Nederlandse nationaliteit, met staatloosheid tot gevolg, druist dan ook rechtstreeks in tegen alle relevante internationale verdragen en de Nederlandse wet. Daar komt bij dat uit uitspraken van het EHRM niet kan worden afgeleid dat aan artikel 8 EVRM Pro een recht op staatloosheid kan worden ontleend in een geval waarin de betrokkene reeds een nationaliteit bezit. In meerdere internationale verdragen die na de inwerkingtreding van het EVRM zijn afgesloten en waar Nederland partij bij is, is juist opgenomen dat de burger beschermd moet worden tegen staatloosheid. Verder is de IND van mening dat van inbreuk op de identiteit van verzoeker geen sprake is, aangezien het feit dat hij Nederlander blijft hem op geen enkele wijze belemmert in het uitoefenen van zijn privéleven.
De rechtbank overweegt als volgt.
Artikel 14 lid 8 RWN Pro bepaalt:
“Met uitzondering van het geval, bedoeld in het eerste lid, vindt geen verlies van het Nederlanderschap plaats indien het gevolg daarvan zou zijn dat betrokkene door geen enkele staat, krachtens diens wetgeving, als zijn onderdaan wordt beschouwd.”
Artikel 15 lid 1 onder Pro b RWN bepaalt:
“Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren:
(…)
b. door het afleggen van een verklaring van afstand;
(…)”.
Artikel 17 lid 1 RWN Pro bepaalt:

Een ieder die, buiten een bij enige in een der delen van het Koninkrijk gevestigde rechterlijke instantie of een in administratief beroep aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft, kan bij de rechtbank Den Haag of, indien hij in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba woonachtig is, bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba een verzoek indienen tot vaststelling van zijn Nederlanderschap of tot vaststelling dat hij het Nederlanderschap niet bezit. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip het Nederlanderschap al dan niet bezat.”
De rechtbank stelt voorop dat het verzoek is gegrond op artikel 17 RWN Pro. Op basis van dit artikel is de rechtbank enkel bevoegd om tot vaststelling van het Nederlanderschap van een persoon over te gaan of tot vaststelling dat die persoon het Nederlanderschap niet bezit. De rechtbank kan niet het Nederlanderschap verlenen of een verklaring van afstand van het Nederlanderschap afgeven.
Verzoeker heeft op 17 mei 2024 een verklaring tot afstand van de Nederlandse nationaliteit afgelegd bij de burgemeester van [plaats], maar de burgemeester heeft aangegeven dat die afstandsverklaring geen rechtsgevolg heeft, omdat verzoeker naast de Nederlandse geen andere nationaliteit bezit.
Daarnaast stelt de rechtbank vast dat in de RWN, zoals ook door de IND naar voren is gebracht, de wijzen van het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit en de wijzen waarop het Nederlanderschap verloren gaat, limitatief zijn opgesomd. Voor het maken van een belangenafweging zoals door verzoeker is betoogd is geen ruimte.
Verder heeft de rechtbank acht geslagen op het beroep van verzoeker op het recht op zelfbeschikking en persoonlijke autonomie, alsmede het recht op gelijke behandeling. De rechtbank zal aan dit standpunt van verzoeker, gelet op het voornoemde, voorbij gaan. Verzoeker had, als hij een andere nationaliteit had gehad, afstand kunnen doen van zijn Nederlandse nationaliteit. Aangezien hij naast de Nederlandse nationaliteit geen andere nationaliteit bezit, staan nationale en internationale wet- en regelgeving hieraan in de weg. Het gaat er hierbij naar het oordeel van de rechtbank niet zozeer om dat verzoeker Nederlander moet zijn, maar dat hij geen afstand kan doen van zijn Nederlandse nationaliteit omdat hij daardoor staatloos zou worden. Daarnaast zien de door verzoeker genoemde internationale verdragen en de RWN er juist op dat de burger moet worden beschermd tegen staatloosheid en dat staatloosheid zoveel mogelijk moet worden voorkomen. De Nederlandse Staat kan door de verdragsrechtelijke bepalingen dus niet anders dan vaststellen dat verzoeker geen afstand kan doen van de Nederlandse nationaliteit. Ook is de Nederlandse nationaliteit niet door de Nederlandse Staat opgelegd maar heeft verzoeker deze door geboorte gekregen en heeft verzoeker er zelf voor gekozen om eerst afstand te doen van de Turkse nationaliteit, waardoor hij nu alleen nog de Nederlandse nationaliteit heeft. De rechtbank constateert daarom dat de burgemeester van [plaats] in de verklaring van 17 mei 2024 op goede gronden heeft vastgesteld dat de door verzoeker afgelegde verklaring van afstand geen rechtsgevolg heeft, zodat de rechtbank niet – zoals verzoeker wenst – op grond van artikel 17 lid 1 RWN Pro kan vaststellen dat verzoeker de Nederlandse nationaliteit niet bezit. Zoals hiervoor reeds overwogen, kan de rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 17 lid 1 RWN Pro eveneens niet bepalen dat verzoeker de Nederlandse nationaliteit niet bezit.
De rechtbank ziet in het door verzoeker gestelde dan ook geen grond voor toewijzing van het verzoek.
Proceskosten
De rechtbank ziet, te meer nu het verzoek van verzoeker wordt afgewezen, geen aanleiding voor een veroordeling van de IND in de proceskosten van verzoeker en zal het verzoek daartoe ook afwijzen.

Beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.L. Strop, A.C. Olland en A.P. de Klerk, rechters, bijgestaan door mr. S.G.J. Verkennis als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 19 februari 2026.
Bij afwezigheid van de voorzitter van de meervoudige kamer is deze beschikking ondertekend door de oudste rechter.