Partijen zijn gehuwd sinds 1998 en hebben een echtscheidingsprocedure lopen. De man verzoekt voorlopige partneralimentatie omdat de vrouw is gestopt met het betalen van een arbeidsvergoeding. De vrouw betwist de behoeftigheid van de man en wijst op zijn verdiencapaciteit en vermogen.
De rechtbank hanteert de Hofnorm als uitgangspunt voor de behoefte van de man, berekent het netto besteedbaar gezinsinkomen en stelt de behoefte van de man vast op €5.039 netto per maand. Na verrekening van het inkomen van de man resteert een aanvullende behoefte van €3.100 netto per maand.
De draagkracht van de vrouw wordt berekend op basis van haar verwachte winst uit onderneming in 2026, rekening houdend met een vermindering van werktijd naar 40 uur per week. Haar draagkracht wordt vastgesteld op €1.699 bruto per maand. De rechtbank concludeert dat de man niet volledig in zijn behoefte kan voorzien en dat de vrouw een voorlopige partneralimentatie moet betalen van €1.699 bruto per maand.
De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en geldt met ingang van 18 februari 2026. De rechtbank wijst het meer of anders gevorderde af.