Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6089

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
21 maart 2026
Zaaknummer
C/09/696426 / FA RK 25-9632
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:402 BWArt. 822 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige partneralimentatie vastgesteld na echtscheidingsverzoek

Partijen zijn gehuwd sinds 1998 en hebben een echtscheidingsprocedure lopen. De man verzoekt voorlopige partneralimentatie omdat de vrouw is gestopt met het betalen van een arbeidsvergoeding. De vrouw betwist de behoeftigheid van de man en wijst op zijn verdiencapaciteit en vermogen.

De rechtbank hanteert de Hofnorm als uitgangspunt voor de behoefte van de man, berekent het netto besteedbaar gezinsinkomen en stelt de behoefte van de man vast op €5.039 netto per maand. Na verrekening van het inkomen van de man resteert een aanvullende behoefte van €3.100 netto per maand.

De draagkracht van de vrouw wordt berekend op basis van haar verwachte winst uit onderneming in 2026, rekening houdend met een vermindering van werktijd naar 40 uur per week. Haar draagkracht wordt vastgesteld op €1.699 bruto per maand. De rechtbank concludeert dat de man niet volledig in zijn behoefte kan voorzien en dat de vrouw een voorlopige partneralimentatie moet betalen van €1.699 bruto per maand.

De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en geldt met ingang van 18 februari 2026. De rechtbank wijst het meer of anders gevorderde af.

Uitkomst: De rechtbank stelt voorlopige partneralimentatie vast van €1.699 bruto per maand, ingaande 18 februari 2026, te betalen door de vrouw aan de man.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-9632
Zaaknummer: C/09/696426
Datum beschikking: 18 februari 2026

Voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 18 december 2025 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. E. Jongkoen te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.A. van der Heiden te Honselersdijk, gemeente Westland.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift;
  • het F9-formulier van de man van 3 februari 2026, met bijlage.
Op 4 februari 2026 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
Van de zijde van de man zijn pleitnotities overgelegd.

Feiten

- Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 1998.
- Bij deze rechtbank is een echtscheidingsprocedure aanhangig, geregistreerd onder
zaak- en rekestnummer C/09/692835 / FA RK 25-7644.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de man strekt ertoe dat:
- een door de vrouw aan de man te betalen voorlopige partneralimentatie van € 2.871,- bruto per maand wordt vastgesteld, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert verweer tegen de verzochte partneralimentatie, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
De man verzoekt een voorlopige partneralimentatie vast te stellen. Bij de beoordeling van het verzoek stelt de rechtbank voorop dat deze voorlopige vaststelling het karakter heeft van een ordemaatregel. Daarbij is het uitgangspunt dat wordt uitgegaan van de actuele situatie van partijen, voor zover de rechtbank daar voldoende inzicht in heeft. Indien de rechtbank onvoldoende inzicht in de situatie van partijen heeft, zal de rechtbank beoordelen wat zij redelijk acht en in dat kader een schatting maken.
De man stelt behoefte te hebben aan de vaststelling van voorlopige partneralimentatie, nu de vrouw is gestopt hem een arbeidsvergoeding te betalen. De vrouw stelt dat de man niet behoeftig is, nu hij een verdiencapaciteit heeft en zichzelf in ieder geval uit zijn vermogen kan onderhouden. Ook verzoekt de vrouw om rekening te houden met het feit dat de man volgens haar lagere woonlasten heeft. De rechtbank zal de (financiële) situatie van partijen hierna beoordelen. De daarbij door de rechtbank gemaakte berekeningen worden aangehecht aan de beschikking.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.
De rechtbank acht het in het kader van deze voorlopige voorzieningenprocedure redelijk om conform de hoofdregel van artikel 822 tweede Pro lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de datum van de beschikking als ingangsdatum te hanteren, zijnde 18 februari 2026.
Behoefte man
De rechtbank zal er bij de berekening van de behoefte van de man van uitgaan dat partijen in 2024 (feitelijk) uit elkaar zijn gegaan.
Tussen partijen is in geschil of de rechtbank bij de berekening van de behoefte al dan niet uit moet gaan van de Hofnorm, waarbij de behoefte van de onderhoudsgerechtigde wordt vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen. De vrouw meent dat op de berekende behoefte aan de hand van de Hofnorm een correctie dient te worden toegepast, omdat de man nauwelijks woonlasten zal hebben. De rechtbank overweegt dat dit door de man voldoende is weerlegd door de overlegging van stukken waaruit zijn woonlasten blijken. De rechtbank zal daarom – zoals gebruikelijk – de Hofnorm als uitgangspunt nemen bij de berekening van de behoefte.
Tussen partijen is niet in geschil dat de man in 2024 en pensioenuitkering van € 31.235,- en een arbeidsvergoeding van € 23.750,- per jaar uit de onderneming van de vrouw ontving. Uitgaande van bovenstaande gegevens en een premie lijfrenten van € 3.006,- per jaar berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man in 2024 op € 3.243,- per maand.
Tussen partijen is niet in geschil dat de gemiddelde winst uit onderneming van de vrouw over de jaren 2022 tot en met 2024 € 96.288,- per jaar bedraagt. Anders dan door de man bepleit, zal de rechtbank rekening houden met een bedrag van € 22.756,- aan inkomensvoorzieningen bij de berekening, nu uit de door de vrouw overgelegde stukken is gebleken dat zij dit bedrag in 2024 daadwerkelijk heeft afgedragen. Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de vrouw in 2024 op € 4.295,- per maand.
De rechtbank berekent het netto besteedbaar gezinsinkomen daarmee op € 7.538,- per maand. De huwelijksgerelateerde behoefte van de man bedraagt dan volgens de hofnorm afgerond € 4.523,- netto per maand (60% van € 7.538,- per maand).
Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 5.039,- netto per maand.
Aanvullende behoefte
Op de hiervoor berekende netto behoefte van de man van € 5.039,- per maand moet in mindering worden gebracht zijn netto besteedbaar inkomen. Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw inmiddels geen arbeidsvergoeding meer betaalt aan de man, zodat hiermee geen rekening zal worden gehouden. De man ontving in 2025 een pensioenuitkering van € 37.720,-. Tussen partijen is niet in geschil dat rekening moet worden gehouden met de door de man betaalde premie voor lijfrente van € 3.006,- per jaar. Dit leidt tot een aanvullende behoefte van € 3.100,- netto per maand. Dat is € 6.061,- bruto per maand.
Behoeftigheid
Van behoeftigheid is sprake als de man niet voldoende inkomsten heeft om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien en zich die in redelijkheid ook niet kan verwerven. De vrouw betwist dat de man behoeftig is.
Zij voert allereerst aan dat de man een verdiencapaciteit heeft om in de hiervoor berekende aanvullende behoefte te voorzien. De vraag of rekening moet worden gehouden met een verdiencapaciteit aan de kant van de man bij het berekenen van een voorlopige partneralimentatie, vergt nader onderzoek waarvoor in deze voorlopige voorzieningenprocedure geen ruimte is. De rechtbank gaat daarom voorbij aan de stelling van de vrouw op dit punt. De rechtbank merkt daarbij nadrukkelijk op dat in de bodemprocedure de partneralimentatie definitief kan worden berekend en vastgesteld, waarbij de verdiencapaciteit van de man één van de verschillende factoren is waarmee rekening zou kunnen worden gehouden.
Verder stelt de vrouw dat de man een aanzienlijk bedrag uit de verkoop van de echtelijke woning heeft ontvangen, zodat hij kan interen op dit vermogen om in zijn behoefte te voorzien. Onder omstandigheden kan de rechtbank bij het bepalen van partneralimentatie rekening houden met het vermogen, maar dit kan naar het oordeel van de rechtbank pas aan de orde zijn bij het uitspreken van de echtscheiding en de daarmee samenhangende nevenvoorzieningen. De rechtbank overweegt dat op dit moment onvoldoende zicht is op de omvang van het totale vermogen van de man en dat dit vermogen bovendien nog onderdeel uitmaakt van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. Daarom is de rechtbank met de man van oordeel dat in dit stadium geen rekening kan worden gehouden met de mogelijkheid om in te teren op zijn vermogen.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de man in het kader van deze voorlopige voorziening niet in staat volledig in zijn eigen behoefte te voorzien. Daarmee komt de rechtbank toe aan de beoordeling van de draagkracht van de vrouw.
Draagkracht vrouw
De vrouw stelt dat haar draagkracht gebaseerd moet worden op haar inkomen in 2026, omdat dit inkomen lager zal zijn ten opzichte van voorgaande jaren. Vanwege de zorg voor haar kleinzoon en de stress rondom de echtscheidingsprocedure zal zij in 2026 slechts 30 uur in plaats van 45 uur per week gaan werken. De winst uit haar onderneming moet daarom evenredig verminderd worden. Ook zal de vrouw in 2026 weliswaar geen arbeidsvergoeding meer aan de man betalen, maar zij is wel voornemens om een ZZP’er in te huren voor een deel van de administratie. Gelet hierop is het volgens de vrouw niet passend om de volledige € 23.750,- aan arbeidsvergoeding op te tellen bij de winst, maar moet met een bedrag van € 10.000,- worden gerekend. Verder moeten ook de lijfrentepremies worden meegenomen in de berekening van haar draagkracht. Deze moeten evenredig verminderd worden op basis van een 30-urige werkweek.
Volgens de man is het oppassen op een kleinkind een vrije keuze, zodat eventueel gerelateerd inkomensverlies als verwijtbaar en vermijdbaar kan worden beschouwd. Bovendien heeft de vrouw nooit gewerkt op de toekomstige oppasdag op de woensdag, zodat dit geen invloed zal hebben op de winst. Daarnaast heeft de vrouw onvoldoende onderbouwd waarom zij minder zou kunnen werken ten gevolge van de stress rondom de echtscheidingsprocedure. Verder stelt de man dat met het voornemen om iemand in te huren voor de administratie geen rekening moet worden gehouden, omdat hiervoor in de afgelopen 30 jaar nooit iemand nodig is geweest.
De rechtbank zal de volledige € 23.750,- aan arbeidsvergoeding optellen bij de winst van de vrouw. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw de noodzaak om een werknemer of zelfstandige in te huren voor de administratie gelet op de gemotiveerde betwisting door de man onvoldoende aannemelijk gemaakt. De in 2026 te verwachten winst uit onderneming van de vrouw bedraagt daarmee € 120.288,- (€ 96.288,- + € 23.750,- = € 120.038,-).
De rechtbank ziet wel aanleiding om rekening te houden met de feitelijke situatie dat de vrouw in 2026 minder zal gaan werken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft zij echter onvoldoende aangetoond dat zij voorheen 45 uur per week werkte, en dat dit in de toekomst 30 uur per week zal zijn. Daarom zal de rechtbank uitgaan van een gemiddelde werkweek van 40 uur en deze verminderen met 8 uur per week, een dag per week minder, en de winst evenredig verminderen. De te verwachten winst uit onderneming van de vrouw over 2026 wordt dan berekend op € 96.230,- (80% van € 120.038,- = € 96.030,-). De door de vrouw te betalen lijfrentepremies zullen op dezelfde wijze evenredig worden verminderd (80% van € 22.756,- = € 18.205,-).
Uitgaande van bovenstaande gegevens berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 4.476,- per maand. Dat leidt tot een draagkracht van de vrouw van € 1.061,- per maand. Gebruteerd komt dit bedrag neer op € 1.699,- per maand.
Inkomensvergelijking
Om te bepalen of de vrouw door voldoening van een voorlopige partneralimentatie aan de man niet in een nadeliger financiële positie komt te verkeren dan de man, heeft de rechtbank een inkomensvergelijking gemaakt. Uit de inkomensvergelijking volgt dat de vrouw gehouden zou zijn om een hoger bedrag aan voorlopige partneralimentatie aan de man te betalen dan haar draagkracht toelaat, zodat er geen reden is om op grond van de inkomensvergelijking een lager bedrag aan partneralimentatie vast te stellen.
Conclusie
De rechtbank zal bepalen dat de vrouw aan de man, met ingang van de datum van de beschikking, een voorlopige partneralimentatie moet betalen van € 1.699,- bruto per maand, telkens bij vooruitbetaling aan de man te voldoen. Het meer of anders verzochte over de voorlopige partneralimentatie wijst de rechtbank af.

Beslissing

De rechtbank:
bepaalt dat de vrouw aan de man, met ingang van 18 februari 2026,
voorlopigeen partneralimentatie van € 1.699,- bruto per maand moet betalen, telkens bij vooruitbetaling aan de man te voldoen;
en verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.L. Strop, rechter, bijgestaan door mr. M.J.W. Straatsma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 18 februari 2026.