Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6062

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
21 maart 2026
Zaaknummer
C/09/685253 / FA RK 25-3610
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 BWArt. 1:402 BWArt. 1:402a BWArt. 3 Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging kinderalimentatie nihil wegens schuldenlast en schuldhulpverlening

De man en vrouw zijn gescheiden en hebben twee minderjarige kinderen. Bij eerdere beschikking was kinderalimentatie vastgesteld, maar de man verzoekt deze met terugwerkende kracht op nihil te stellen vanwege onjuiste gegevens bij de eerdere vaststelling.

De rechtbank oordeelt dat de man sinds de echtscheiding een aanzienlijke schuldenlast heeft en deelneemt aan een minnelijk schuldhulpverleningstraject, waardoor hij geen draagkracht heeft voor alimentatie. Dit rechtvaardigt een wijziging van de alimentatie op grond van artikel 1:401 lid 4 BW Pro.

De rechtbank stelt de alimentatie met ingang van 23 september 2022 op nihil, maar bepaalt dat reeds betaalde alimentatie via het LBIO niet hoeft te worden terugbetaald om financiële problemen bij de vrouw te voorkomen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en partijen worden geacht opnieuw afspraken te maken na afronding van het schuldhulpverleningstraject.

Uitkomst: De rechtbank stelt de kinderalimentatie met terugwerkende kracht op nihil wegens schuldenlast en schuldhulpverlening, zonder terugbetalingsverplichting voor reeds ontvangen bedragen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-3610
Zaaknummer: C/09/685253
Datum beschikking: 18 februari 2026

Alimentatie

Beschikking op het op 13 mei 2025 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.S. Polat te Rijswijk.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Şeker te Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift;
  • het bericht van 24 september 2025, met bijlagen, van de zijde van de man;
  • het bericht van 20 januari 2026, met bijlage, van de zijde van de vrouw;
  • de berichten van 20 januari 2026, met bijlagen, van de zijde van de man.
Op 21 januari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de man, bijgestaan door zijn advocaat en G. Gunes, tolk in de Turkse taal;
  • de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en M. Yamac, tolk in de Turkse taal.

Feiten

- De man en de vrouw zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2009 tot [datum 2] 2016.
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats] ,
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 te [geboorteplaats] .
- De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.
- [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben hun hoofdverblijfplaats bij de vrouw.
- De man heeft de Nederlandse nationaliteit en de vrouw heeft de Turkse nationaliteit.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 25 mei 2016 is – voor zover hier van belang – de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en het ouderschapsplan aan de beschikking gehecht. In het ouderschapsplan is geen door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie overeengekomen.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 9 januari 2023 is – met wijziging in zoverre van de beschikking van 25 mei 2016 – een door de man te betalen kinderalimentatie vastgesteld van € 333,- per maand per kind, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen. De man heeft in deze procedure geen verweer gevoerd.
- Als gevolg van de wijziging van rechtswege op grond van artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek (BW) bedraagt de door de man te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2024 € 353,65 per maand per kind, met ingang van 1 januari 2025 € 376,64 per maand per kind en met ingang van 1 januari 2026 € 393,97 per maand per kind.

Verzoek en verweer

De man verzoekt – met wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 9 januari 2023 – de kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] met ingang van 23 september 2022 op nihil te stellen, althans te bepalen op een zodanig bedrag en met zodanige datum van ingang als de rechtbank juist acht
,een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Hij stelt dat de vastgestelde alimentatie van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
De vrouw voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Rechtsmacht en toepassing Nederlands recht
Omdat de ouders en de kinderen in Nederland wonen, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie.
Op het verzoek zal de rechtbank, op grond van artikel 3 van Pro het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank zal de door de man te betalen kinderalimentatie met ingang van 23 september 2022 op nihil stellen en legt deze beslissing in het navolgende uit.
De reden voor de wijziging
Een rechterlijke uitspraak over levensonderhoud kan op grond van artikel 1:401 lid 4 BW Pro worden gewijzigd of ingetrokken in het geval zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord, doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Voor een wijziging op grond van dit artikel is voldoende dat verzoeker aannemelijk maakt dat bij de uitspraak is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens en dat deze als gevolg daarvan van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord (zie HR 21 april 2006, ECLI:NL:HR:2006: AU9734, NJ 2006, 269).
Volgens vaste jurisprudentie kan een beroep op artikel 1:401 lid 4 BW Pro in beginsel slagen indien bij de vaststelling van de alimentatie is uitgegaan van feitelijke omstandigheden die achteraf niet juist of niet volledig blijken te zijn. Daarbij is niet van belang of het (mede) aan de verzoekende partij zelf te wijten is dat de rechter bij zijn eerdere beslissing is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens.
Uit artikel 4 van Pro het bij de echtscheidingsbeschikking horende ouderschapsplan blijkt dat de ouders ten tijde van de echtscheiding zijn overeengekomen dat de man geen kinderalimentatie zou betalen. Hij had onvoldoende draagkracht om kinderalimentatie te betalen omdat hij de gemeenschappelijke schulden van partijen voor zijn rekening zou nemen en zijn inkomen . Onbetwist is dat de man sinds de echtscheiding steeds aanzienlijke geldschulden heeft gehad. Gesteld noch gebleken is dat met deze schulden rekening is gehouden bij de vaststelling van de kinderalimentatie in de beschikking van 9 januari 2023. Daarom is aan de wettelijke vereisten voor wijziging van de kinderalimentatie voldaan. Het feit de man destijds geen verweer heeft gevoerd in de alimentatieprocedure, maakt dit, gelet op de hiervoor genoemde vaste jurisprudentie, niet anders.
De draagkracht van de man
Uit de stukken en hetgeen op de zitting is besproken is de rechtbank gebleken dat er -wat er ook zij van de behoefte van de kinderen- aan de zijde van de man sprake is van een aanzienlijke schuldenlast van € 188.490,89. Ook is duidelijk geworden dat de man zich heeft aangemeld en inmiddels is toegelaten tot een minnelijk schuldhulpverleningstraject van de gemeente Den Haag. Naar de rechtbank begrijpt betreft dit een vrijwillig voortraject voor de wettelijke schuldsaneringsregeling. Voorts blijkt uit de overgelegde stukken dat de man volgens zijn trajectbegeleider op basis van het vrij te laten bedrag geen draagkracht heeft om tijdens dit traject aan de alimentatieplicht te voldoen en daarom dient te verzoeken om nihilstelling van de kinderalimentatie. Op basis van het voorgaande gaat de rechtbank ervan uit dat de man op dit moment geen enkele draagkracht heeft om een bijdrage in de kosten van de opvoeding en verzorging van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te voldoen aan de vrouw. Daarom zal de rechtbank de kinderalimentatie op nihil stellen.
De stelling van de vrouw dat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat de schulden niet vermijdbaar en niet verwijtbaar zijn, maakt dit oordeel niet anders. Ook indien zou blijken dat een gedeelte van de schulden vermijdbaar en/of verwijtbaar zou zijn, hetgeen de rechtbank niet kan uitsluiten, is de schuldenlast van de man dusdanig omvangrijk dat hij nog steeds geen draagkracht heeft om een bijdrage in de kosten van de kinderen te voldoen.
Wel terugwerkende kracht, geen terugbetalingsverplichting
Artikel 1:402 BW Pro laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de (wijziging van de) alimentatieverplichting. De rechter kan dus een bijdrage vaststellen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan omdat dit flinke gevolgen voor partijen kan hebben. Gebruikelijk is dat de ingangsdatum van een alimentatieverplichting wordt bepaald op of rond de datum van indiening van het verzoek bij de griffie van de rechtbank, tenzij er omstandigheden zijn die aanleiding geven anders te beslissen.
De rechtbank acht het aannemelijk dat een wezenlijk deel van de schulden van de man reeds bestond ten tijde van de vaststelling van de kinderalimentatie bij beschikking van 9 januari 2023 en dat de man daarom ook op dat moment geen enkele draagkracht had om het vastgestelde bedrag aan kinderalimentatie te voldoen. Het LBIO heeft een deel van de door de man verschuldigde kinderalimentatie door middel van een loonbeslag geïncasseerd bij de man en dit aan de vrouw doorbetaald. De vrouw heeft aangegeven dat zij het van het LBIO ontvangen geld reeds heeft uitgegeven ten behoeve van de kinderen.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het redelijk om de kinderalimentatie met terugwerkende kracht vanaf 23 september 2022 op nihil te stellen, met dien verstande dat de vrouw de bedragen die zij als kinderalimentatie heeft ontvangen, niet hoeft terug te betalen, omdat dit de vrouw in financiële problemen zou brengen.
De rechtbank gaat ervan uit dat de man de vrouw zal informeren als zijn schuldsaneringstraject(en) zijn afgerond, zodat partijen opnieuw afspraken kunnen maken over eventueel door de man te betalen kinderalimentatie.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 9 januari 2023 – :
*
stelt de door de man met ingang van 23 september 2022 te betalen alimentatie ten behoeve van de minderjarigen:
  • [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats] ;
  • [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 te [geboorteplaats] ;
op nihil, met dien verstande dat de kinderalimentatie die inmiddels via het LBIO aan de vrouw is betaald niet behoeft te worden terugbetaald.;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.F. Baaij, rechter, bijgestaan door
mr. A.J. Klootwijk als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 18 februari 2026.