Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6052

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
21 maart 2026
Zaaknummer
C/09/683988 / FA RK 25-2991
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:401 BWArt. 1:402 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging kinderalimentatie wegens onder bewindstelling en gewijzigde financiële omstandigheden

De man en vrouw zijn ouders van een minderjarige en hadden een eerdere alimentatieverplichting van €224 per maand vastgesteld in 2020. De man is onder bewind gesteld wegens problematische schulden en heeft sindsdien een bijstandsuitkering. Hij verzoekt de alimentatie met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2023 te verlagen naar nihil of €25 per maand.

De vrouw verzet zich tegen terugwerkende kracht en stelt dat de wijziging pas vanaf de datum van het verzoek, 15 april 2025, moet ingaan. De rechtbank oordeelt dat de man voldoende wijziging van omstandigheden heeft gesteld en verklaart het verzoek ontvankelijk. De rechtbank volgt de vrouw in haar standpunt over de ingangsdatum, omdat terugwerkende kracht onredelijke gevolgen kan hebben.

De rechtbank bepaalt dat de alimentatie vanaf 15 april 2025 wordt verlaagd naar €25 per maand, met jaarlijkse wettelijke indexatie vanaf 1 januari 2026. De proceskosten worden ieder voor eigen rekening gelaten. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De kinderalimentatie wordt met ingang van 15 april 2025 gewijzigd naar €25 per maand met jaarlijkse wettelijke indexatie.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-2991
Zaaknummer: C/09/683988
Datum beschikking: 18 februari 2026

Alimentatie

Beschikking op het op 15 april 2025 ingekomen verzoek van:

Zwanenburg & De Heer B.V., kantoorhoudende te Rotterdam,

handelend in hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen van:
[de man],
de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N.E. de Vries te Alphen aan den Rijn.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Imdahl te Zoetermeer.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens verzoekschrift;
  • de brief van 9 januari 2026, met bijlagen, namens de man.
Op 21 januari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de advocaat van de bewindvoerder en de man en de vrouw met haar advocaat.

Feiten

- De man en de vrouw hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
- Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] .
- De man heeft [de minderjarige] erkend.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 9 december 2020 is met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 5 februari 2019 – voor zover hier van belang – bepaald dat:
- voortaan aan de man en de vrouw het gezamenlijk gezag zal toekomen over [de minderjarige] ;
- de man aan de vrouw, met ingang van 1 januari 2020 een kinderalimentatie ten
behoeve van [de minderjarige] van € 224,- per maand zal betalen.
- De vrouw is met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] belast, op grond van een aantekening in het gezagsregister van de beschikking van deze rechtbank van
26 maart 2025.
- [de minderjarige] verblijft bij de vrouw.
- Bij beschikking van 28 januari 2025 heeft de kantonrechter te Gouda vanaf 29 januari 2025 tot 1 februari 2030 een bewind ingesteld over de (toekomstige) goederen van de man wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden en daarbij is
Q-Ratio B.V. te Sassenheim benoemd tot bewindvoerder.
- Bij beschikking van 4 november 2025 heeft de kantonrechter te Bergen op Zoom betreffende het bewind ingesteld over de (toekomstige) goederen van de man, vanaf
1 december 2025 Q-ratio B.V. te Sassenheim ontslagen als bewindvoerder, onder gelijktijdige benoeming van Zwanenburg & De Heer B.V. te Rotterdam tot bewindvoerder, onder gelijke condities als bij de instelling van het bewind is bepaald.
- Als gevolg van de wijziging van rechtswege op grond van artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek (BW) bedraagt de door de man te betalen kinderalimentatie sinds
1 januari 2025 € 274,94.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de man luidt – met wijziging van de beschikking van deze rechtbank van
9 december 2020 – met ingang van 1 januari 2023 althans de datum van indiening van dit verzoekschrift althans zodanige datum als de rechtbank juist acht, de kinderalimentatie
ten behoeve van [de minderjarige] op nihil te stellen althans op € 25,- per maand te bepalen, uitvoerbaar bij voorraad.
De vrouw voert verweer.
Zij concludeert tot afwijzing van het verzoek van de man althans hooguit te beslissen dat de man een kinderalimentatie van € 25,- per maand dient te betalen, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, en ingeval de wijziging van de kinderalimentatie per eerdere ingangsdatum wordt gewijzigd te bepalen dat de reeds betaalde alimentatie als geconsumeerd dient te worden beschouwd en niet door de vrouw hoeft te worden terugbetaald, althans zodanige beslissing te nemen als de rechtbank juist acht;
voor zover mogelijk met uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.

Beoordeling

Wijziging kinderalimentatie
Ontvankelijkheid
Een rechterlijke uitspraak of overeenkomst betreffende levensonderhoud kan op grond van artikel 1:401, eerste lid, BW bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.
De man heeft als wijziging van omstandigheden gesteld dat sinds de beschikking van
9 december 2020 zijn financiële omstandigheden zijn gewijzigd. Zo is de man vanwege verslavingsproblematiek zijn baan als docent economie kwijt geraakt, heeft hij geruime tijd geen inkomen gehad en is hij in de schulden geraakt. Sinds 13 maart 2025 ontvangt de man een bijstandsuitkering. De man stelt met hoge schulden te kampen.
Omdat de man voldoende heeft gesteld dat sprake is van een wijziging van omstandigheden, zal de rechtbank hem ontvangen in het verzoek. De rechtbank zal hierna overgaan tot een inhoudelijke beoordeling.
Inhoudelijke beoordeling
De man stelt dat hij geen financiële draagkracht heeft om een kinderalimentatie voor [de minderjarige] aan de vrouw te kunnen voldoen en hij verzoekt daarom de kinderalimentatie voor [de minderjarige] op nihil te stellen met ingang van 1 januari 2023, althans de datum van indiening van onderhavig verzoekschrift, althans met ingang van zodanige datum als de rechtbank juist acht.
De man beroept zich primair op het feit dat hij, gelet op de vermindering van zijn inkomen, de op hem drukkende schuldenlast en om deel te nemen aan een minnelijk schuldhulpverleningstraject, geen draagkracht meer heeft voor het betalen van de eerder vastgestelde kinderalimentatie van € 224,- per maand. De man verzoekt daarom om de kinderalimentatie met terugwerkende kracht op nihil te stellen dan wel te bepalen op € 25,- per maand.
Op de zitting is de rechtbank gebleken, dat de vrouw in zoverre verweer voert tegen het verzoek van de man, dat zij de verzochte wijziging niet met ingang van 1 januari 2023 maar met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 15 april 2025, wil laten ingaan. De vrouw stelt in de periode van 1 januari 2023 tot en met 15 april 2025 uitgegaan te zijn van de geldende beschikking van 9 december 2020 en de ontvangen alimentatie aangewend te hebben voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . Een verlaging met terugwerkende kracht zou volgens de vrouw leiden tot een onredelijke terugbetalingsverplichting, hetgeen in strijd is met de maatstaven van de Hoge Raad. Daarbij komt dat de man pas sinds maart 2025 een bijstandsuitkering ontvangt en zijn bewind op 28 januari 2025 is uitgesproken. Er is daarom geen sprake van een aantoonbare onmacht tot betaling vanaf 1 januari 2023. De man heeft bovendien nagelaten om eerder een verzoek tot wijziging in te dienen, hetgeen voor zijn rekening en risico dient te komen.
De rechtbank volgt de vrouw in haar betoog en overweegt daartoe het volgende.
Artikel 1:402 BW Pro laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van de (wijziging van de) alimentatieverplichting. De rechter kan een bijdrage vaststellen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan omdat dit ingrijpende gevolgen voor partijen kan hebben. Dit geldt in het bijzonder indien dit ingrijpende gevolgen heeft voor de onderhoudsgerechtigde in verband met een daardoor in het leven geroepen verplichting tot terugbetaling van hetgeen in de daaraan voorafgaande periode in feite is betaald of verhaald. Mede gelet hierop is gebruikelijk dat de ingangsdatum van een wijziging van de alimentatieverplichting wordt bepaald op de datum van indiening van het verzoek bij de griffie van de rechtbank (in deze zaak 15 april 2025), tenzij er omstandigheden zijn die aanleiding geven anders te beslissen. De rechtbank vindt het door de man gestelde onvoldoende om af te wijken van wat gebruikelijk is en zal 15 april 2025, de datum van de indiening van het verzoek bij de griffie van de rechtbank, als ingangsdatum van de wijziging hanteren.
Op de zitting is verder naar voren gekomen dat partijen zich kunnen vinden in het wijzigen van de kinderalimentatie naar € 25,- per maand en dat vanaf 1 januari 2026 de wettelijke indexatie wordt toegepast. Omdat niet in geschil is dat de man geen baan meer heeft, te kampen heeft met veel schulden en als gevolg daarvan met ingang van 29 januari 2025 onder bewind staat, staat daarmee naar het oordeel van de rechtbank ook vast dat de man geen draagkracht meer heeft voor de eerder vastgestelde kinderalimentatie van € 224,- per maand. De rechtbank zal daarom bepalen dat de kinderalimentatie met ingang van 15 april 2025 zal worden gewijzigd naar € 25,- per maand en dat deze jaarlijks wettelijk geïndexeerd moet worden, voor het eerst per 1 januari 2026.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van
9 november 2020 – :
*
bepaalt de door de man met ingang van 15 april 2025 te betalen alimentatie voor de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] , op € 25,- per maand, vanaf vandaag telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen en jaarlijks wettelijk te indexeren, voor het eerst per 1 januari 2026;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, rechter, bijgestaan door
mr. M.G. Coopmans-Veraa als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van
18 februari 2026.