De rechtbank Den Haag heeft op 18 februari 2026 uitspraak gedaan in een zaak waarin verzoeker, mede namens zijn minderjarige kind, verzocht om vaststelling van hun staatloosheid. Verzoeker en het kind zijn van Palestijnse afkomst en hebben hun hele leven in Syrië gewoond. De moeder van het kind heeft in Nederland asiel gekregen, waarna verzoeker en het kind een machtiging voorlopig verblijf ontvingen en naar Nederland zijn gereisd.
De rechtbank heeft het verzoek ontvankelijk verklaard en de stukken, waaronder bevolkingsregisters en geboorteakten afgegeven door Syrische autoriteiten, beoordeeld. Nederland erkent de Palestijnse nationaliteit niet, waardoor Palestijnen uit de Palestijnse gebieden als staatloos worden beschouwd. Daarnaast is op grond van de Syrische nationaliteitswetgeving niet aannemelijk dat verzoeker en het kind de Syrische nationaliteit bezitten, omdat zij niet aan de voorwaarden voldoen en naturalisatie voor Palestijnen in Syrië in principe niet mogelijk is.
Op basis van deze feiten en het toepasselijke wettelijke kader, de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid, heeft de rechtbank vastgesteld dat verzoeker en zijn minderjarige kind staatloos zijn. De beschikking is zonder mondelinge behandeling gegeven, met instemming van partijen.