De rechtbank Den Haag heeft op 8 januari 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak betreffende het voortduren van een maatregel van bewaring opgelegd aan een vreemdeling op grond van de Vreemdelingenwet 2000.
Eiser had beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank toetste de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel over de periode van 17 november 2025 tot 6 januari 2026, aangezien eerdere toetsing tot 17 november 2025 reeds had plaatsgevonden.
De rechtbank oordeelde dat het zicht op uitzetting naar Nigeria niet was gewijzigd en dat eiser onvoldoende medewerking had verleend aan het verkrijgen van identiteitsdocumenten. Verweerder had voortgangsrapportages overgelegd waaruit bleek dat vertrekgesprekken waren gevoerd, wat duidt op voortvarend handelen.
Ambtshalve toetsing van de maatregel, mede gelet op relevante jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, leidde tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel rechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.