ECLI:NL:RBDHA:2026:600

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
C/09/679541 / JE RK 25-193
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in een voorziening voor pleegzorg

Op 9 januari 2026 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Den Haag een beschikking gegeven over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2023, in een voorziening voor pleegzorg. De kinderrechter heeft eerder al verschillende machtigingen tot uithuisplaatsing verlengd, waarbij de ouders van de minderjarige hebben erkend dat zij door hun eigen problematiek niet in staat zijn om de zorg te bieden die de minderjarige nodig heeft. De ouders hebben echter de wens geuit dat de minderjarige in het netwerk van de vader opgroeit. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de nieuwe pleegouders, die familie zijn van de vader, de zorg voor de minderjarige op zich hebben genomen en dat de plaatsing goed verloopt. De kinderrechter heeft de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk geacht in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de beslissing direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld. De machtiging tot uithuisplaatsing is verlengd tot 13 maart 2026.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/679541 / JE RK 25-193
Datum uitspraak: 9 januari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden, gevestigd te Den Haag,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. mr. G. van der Steen uit Den Haag,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
[de voormalig pleegmoeder],
hierna te noemen: de voormalig pleegmoeder,
en
[de voormalig pleegvader] ,
hierna te noemen: de voormalig pleegvader,
hierna ook gezamenlijk te noemen: de voormalig pleegouders,
gezamenlijk wonend op een bij de rechtbank bekend adres.
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[de pleegmoeder] ,
hierna te noemen: de pleegmoeder
en
[de pleegvader] ,
hierna te noemen: de pleegvader (de neef van de vader),
gezamenlijk wonend te [woonplaats] .

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 maart 2025 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 13 maart 2026. Ook heeft de kinderrechter de machtiging verlengd [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 13 juli 2025, met aanhouding van het overige deel van het verzoek.
1.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 1 juli 2025 de machtiging verlengd [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 13 november 2025, met aanhouding van het overige deel van het verzoek.
1.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 4 november 2025 de machtiging verlengd [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 13 januari 2026, met aanhouding van het overige deel van het verzoek.
1.4.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 4 november 2025 en de hierin benoemde stukken;
  • de briefrapportage van de gecertificeerde instelling met bijlagen van 19 december 2025;
- het bericht van de voormalig pleegouders van 6 januari 2026;
1.5.
Op 9 januari 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
- [naam] , namens de gecertificeerde instelling;
- de pleegouder.
De vader en de voormalig pleegouders zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader en de pleegouders wel juist zijn opgeroepen. De voormalig pleegouders hebben zich per bericht van 6 januari 2026 aan de rechtbank afgemeld.

2.De feiten

2.1.
De kinderrechter verwijst voor een weergave van de feiten naar de beschikkingen van 11 maart 2025, 1 juli 2025 en 4 november 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, zijnde voor de resterende duur van twee maanden, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De gecertificeerde instelling heeft het verzoek, samengevat en zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd.
3.2.
De ouders erkennen en accepteren dat zij door hun eigen situatie en problematiek [de minderjarige] niet de zorg en aandacht kunnen bieden die zij nodig heeft, en dat het daarom voor [de minderjarige] niet meer mogelijk is om bij hen te wonen. De ouders hebben echter wel de sterke wens dat [de minderjarige] in het netwerk van de vader zal opgroeien. In de afgelopen periode hebben de (nieuwe) pleegouders, de neef van de vader en zijn vrouw, het screeningproces positief doorlopen. [de minderjarige] is na een geleidelijke wenperiode vanaf 2 januari 2026 volledig overgeplaatst van de voormalig pleegouders naar de nieuwe pleegouders. Het gaat goed met [de minderjarige] bij het nieuwe pleeggezin. De pleegouders kunnen haar de stabiele en veilige opvoedomgeving bieden die zij nodig heeft. In de opvoedvisie van [de minderjarige] is om deze reden vastgesteld dat de plaatsing van [de minderjarige] bij dit netwerkpleeggezin het meeste passende en duurzame perspectief vormt voor [de minderjarige] . De plaatsing waarborgt continuïteit in haar opvoedsituatie en biedt de mogelijkheid tot het opbouwen van een veilige hechtingsrelatie. Om deze continuïteit en stabiliteit te garanderen, is voortzetting van de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk. Het is verder positief dat de moeder opnieuw in contact is getreden en zij ook op bezoek bij [de minderjarige] is geweest. Met de vader is nog steeds geen contact. In de komende periode zal de betrokken jeugdbeschermer zich inzetten om samen met de ouders tot een passende omgangsregeling te komen.

4.De standpunten

4.1.
Er is door en namens de moeder ingestemd met het verzoek. De moeder is erg blij met de plaatsing van [de minderjarige] in het netwerk van de vader. Het geeft haar veel rust. De moeder is voornemens om weer hulpverlening te zoeken voor haarzelf en om een passende woonsituatie te regelen, zodat zij weer meer stabiliteit kan krijgen.
4.2.
De voormalig pleegouders stemmen blijkens het bericht van hun zijde van 6 januari 2026 met het verzochte in.
4.3.
De pleegouders hebben ter zitting naar voren gebracht dat het erg goed gaat met [de minderjarige] bij hen en dat zij al haar plekje begint te vinden. Het klikt goed tussen de andere kinderen van de pleegouders en [de minderjarige] . De overdracht en de samenwerking met de voormalig pleegouders is goed verlopen. De pleegouders onderhouden goed contact over [de minderjarige] met de moeder en zullen dit ook altijd blijven doen.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1]
5.2.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. In de lopende procedure is veelvuldig naar voren gekomen, en benoemd door de ouders zelf, dat zij inzien dat zij door hun eigen problematiek en situatie [de minderjarige] niet de zorg en stabiliteit kunnen bieden die zij nodig heeft. Het is knap van de ouders dat zij dit inzicht hebben en het belang van [de minderjarige] hierin centraal hebben gesteld. De kinderrechter vindt het zeer positief, met name in het belang van [de minderjarige] , dat de door de ouders gewenste netwerkplaatsing binnen de familie succesvol is verlopen. De neef van de vader en diens vrouw hebben zich beschikbaar gesteld om de zorg voor [de minderjarige] op zich te nemen, hebben het screeningsproces inmiddels positief doorlopen en de plaatsing van [de minderjarige] bij hen is zorgvuldig maar ook soepel verlopen, waar de kinderrechter alle betrokkenen voor complimenteert. Hoewel [de minderjarige] slechts een week bij de pleegouders verblijft, lijkt zij nu al haar plekje bij hen gevonden te hebben. [de minderjarige] mag en kan in dit gezin blijkens de herziene opvoedvisie van 17 december 2025 langdurig blijven. De kinderrechter vindt het hierbij noodzakelijk dat de gecertificeerde instelling zich in de komende twee maanden samen met de ouders blijft inzetten om tot passende omgangsafspraken te komen.
5.3.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening van pleegzorg verlengen voor de resterende duur van twee maanden.
5.4.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 13 maart 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2026 door mr. M.M.C. Limbeek, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Leeuwen als griffier, en op schrift gesteld op 15 januari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265c, tweede lid, Burgerlijk Wetboek.