ECLI:NL:RBDHA:2026:5981

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
NL24.52232
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging terugkeerbesluit bij aanvraag verblijfsvergunning verblijf bij ouder

Eiseres, een vierjarig meisje met de Nigeriaanse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning verblijf bij ouder. De minister stelde de aanvraag buiten behandeling en legde opnieuw een terugkeerbesluit op, terwijl reeds bij een eerder besluit een terugkeerbesluit was opgelegd.

De rechtbank oordeelt dat het nieuwe terugkeerbesluit onterecht is genomen en had moeten worden herroepen. Omdat eiseres en haar gemachtigde niet op de zitting verschenen, kon geen nadere toelichting worden gegeven, maar de rechtbank beperkt zich tot het terugkeerbesluit als enige beroepsgrond.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit voor zover het het terugkeerbesluit betreft en treedt zelf in de plaats van het vernietigde besluit. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van € 934,- aan eiseres.

Uitkomst: Het terugkeerbesluit is vernietigd en het beroep van eiseres is gegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.52232

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres], v-nummer: [nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. K. Mohasselzadeh),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R. de Groot).

Procesverloop

1. Eiseres heeft op 16 oktober 2023 een reguliere aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor ‘verblijf bij ouder’ ingediend. Met het besluit van 15 januari 2024 heeft de minister de aanvraag buiten behandeling gesteld. [1] Met het bestreden besluit van 4 december 2024 heeft de minister het bezwaar van eiseres afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 26 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiseres en haar gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond van deze zaak
2. Eiseres is een vierjarig meisje, geboren in Almelo en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Zij wordt wettelijk vertegenwoordigd door haar moeder [naam moeder]. Haar moeder had (mede namens eiseres) gelijktijdig een beroepsprocedure (NL23.7373) lopen tegen de afwijzing van hun asielaanvraag van 30 september 2021, die met het bestreden besluit van 14 februari 2023 door de minister is afgewezen als ongegrond en waarin een terugkeerbesluit is opgelegd. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft dat beroep op 28 oktober 2025 ongegrond verklaard.
2.1.
Op 16 oktober 2023 heeft de moeder van eiseres de onderhavige aanvraag ingediend. De minister heeft met het besluit van 15 januari 2024 de aanvraag van eiseres buiten behandeling gesteld en eiseres opnieuw een terugkeerbesluit opgelegd.
Het bestreden besluit
3. De minister stelt zich op het standpunt dat eiseres en haar moeder niet zijn verschenen bij het IND-loket en de leges niet hebben betaald, zodat niet aan de wettelijke vereisten voor het in behandeling nemen van de aanvraag is voldaan. De minister stelt zich verder op het standpunt dat het besluit van 15 januari 2024 geen nieuw terugkeerbesluit had mogen bevatten, nu aan eiseres en haar reeds bij besluit van 14 februari 2023 in het kader van de asielaanvraag een terugkeerbesluit is opgelegd. Omdat eiseres niet heeft voldaan aan de wettelijke vereisten voor het in behandeling nemen van de aanvraag en in bezwaar en beroep geen relevante argumenten zijn aangevoerd, blijft het besluit echter in stand.
Waar gaat het beroep over?
4. De rechtbank stelt vast dat eiseres uitsluitend een beroepsgrond heeft gericht tegen het terugkeerbesluit. Dat betekent dat de rechtbank ook alleen daarover een oordeel zal geven. In de aanvullende gronden staat nog dat eiseres van mening is dat zij de gelegenheid had moeten krijgen om haar aanvraag in te trekken. Voor zover eiseres daarmee een beroepsgrond heeft willen richten tegen de beslissing van de minister om haar aanvraag buiten behandeling te stellen, is de rechtbank van oordeel dat zij hiermee niet heeft uitgelegd waarom zij het niet eens is met wat de minister hierover in het bestreden besluit heeft beslist. Eiseres en haar gemachtigde zijn ook niet op de zitting verschenen om hierop verdere toelichting te geven. De rechtbank merkt dit dus niet als beroepsgrond aan.
Mocht de minister aan eiseres een terugkeerbesluit opleggen?
5. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte een terugkeerbesluit heeft opgelegd. Hiertoe voert zij aan dat ondanks dat haar moeder rechtmatig verblijf heeft in Nederland in afwachting van de behandeling van haar asielaanvraag, aan haar een terugkeerbesluit is opgelegd. Eiseres kan Nederland niet verlaten zonder haar moeder. Bovendien is het besluit in strijd met de rechten van het kind, nu de minister het belang van eiseres niet bij de beoordeling van het bezwaar heeft betrokken en zij door het besluit in haar belangen wordt getroffen. Ook voert eiseres aan dat zij de gelegenheid had moeten krijgen om haar aanvraag in te trekken, en dat zij door dit niet te mogen doen in haar belang is geschaad doordat aan haar een terugkeerbesluit is opgelegd.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat aan eiseres al bij het besluit van 14 februari 2023 op de asielaanvraag van eiseres en haar moeder een terugkeerbesluit is opgelegd. Het besluit van 15 januari 2024, waarin aan eiseres opnieuw een terugkeerbesluit is opgelegd, is daarom ten onrechte genomen. De minister heeft dat ook onderkend, maar heeft ten onrechte dat besluit niet herroepen. De minister had daarom het bezwaar, voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit, gegrond moeten verklaren en moeten herroepen. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd voor zover de minister het bezwaar tegen het terugkeerbesluit ongegrond heeft verklaard. Omdat de minister in het besluit van 15 januari 2024 ten onrechte een terugkeerbesluit heeft uitgevaardigd zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien en dat besluit in zoverre herroepen.
5.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 934,-, omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend (1 punt met een waarde van
€ 934,-).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 4 december 2024 voor zover het betrekking heeft op het terugkeerbesluit;
  • verklaart het bezwaar van 9 februari 2024 voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit gegrond;
  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Habibi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 4:5, eerste lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).