ECLI:NL:RBDHA:2026:596

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
25/472
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbArt. 6:22 AwbArt. 8:69a AwbArt. 4.3 Invoeringswet Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging omgevingsvergunning legalisatie woonruimten en balkon wegens onvoldoende motivering en onduidelijke parkeernormering

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft een omgevingsvergunning verleend door het college van burgemeester en wethouders van Waddinxveen voor het legaliseren van het gebruik van woonruimten en de realisatie van een balkon. Eiser betwist het besluit en voert meerdere beroepsgronden aan, waaronder onjuiste toepassing van parkeernormen en onjuiste beoordeling van het balkon.

De rechtbank oordeelt dat het college onduidelijkheid heeft laten bestaan over welke parkeernormering van toepassing is en welke parkeerbehoefte het project genereert. Het college gebruikte onjuiste parkeerkencijfers en wisselde van standpunt tijdens de procedure, waardoor het besluit niet zorgvuldig is voorbereid. Daarnaast heeft het college ten onrechte aangenomen dat het balkon onder de bestemming 'Gemengd' valt, terwijl het zich boven gronden met bestemming 'Wonen' bevindt, waardoor een juiste beoordeling ontbreekt.

Beroepen over brandveiligheid en daglichttoetreding worden afgewezen vanwege het relativiteitsvereiste, omdat deze regels niet zijn bedoeld ter bescherming van eiser. Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen. Het griffierecht wordt aan eiser vergoed.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende zorgvuldigheid en motivering; het college moet een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/472

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

het college van burgemeester en wethouders van Waddinxveen

(gemachtigde: S. van den Nieuwenhuijzen).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [woonplaats] (vergunninghouder)

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een omgevingsvergunning voor het legaliseren van het gebruik van woonruimten en de realisatie van een balkon. Eiser is het niet eens met dit besluit en voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verleende omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en niet berust op een draagkrachtige motivering. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Het college heeft met het besluit van 2 mei 2024 een omgevingsvergunning verleend aan eiser voor het legaliseren van het gebruik van woonruimten en de realisatie van een balkon bij een pand aan de [adres 1] en [adres 2] in [plaats] . Met het bestreden besluit van 5 december 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven en heeft het de motivering hiervan aangevuld.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 18 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van het college, een adviseur van het college (M.T. van Heiningen) en vergunninghouder.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
3. Vergunninghouder heeft een aanvraag ingediend voor het legaliseren van het gebruik van woonruimten in een pand aan de [adres 1] en [adres 2] in [plaats] . In het bestreden besluit heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het ingediende plan in strijd is met het bestemmingsplan “Bebouwde Kom 2015”, omdat de gewenste woonvorm (wonen met zorgindicatie) in strijd is met de gebruiksregels van de bestemming “Gemengd”. Het plan is ook in strijd met het “Parapluplan Archeologie en Parkeren”, omdat niet op eigen terrein kan worden voorzien in de parkeerbehoefte van het project.
4. Het college heeft besloten om de omgevingsvergunning te verlenen voor de activiteiten “bouwen” en “handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening”. Volgens het college is er een maatschappelijke vraag naar de woonruimte waarop de aanvraag betrekking heeft. De beperkte bewoning en het type bewoning (zelfstandig wonen door zorgbehoevenden) geeft bovendien geen conflict met de omliggende woningen. De parkeervraag ten behoeve van de woonfunctie kan volgens het college worden opgelost in het omliggende openbaar gebied, waarbij het mogelijk is de parkeerbehoefte in de nieuwe situatie weg te strepen tegen de parkeerbehoefte van de functies die ter plaatse op grond van het bestemmingsplan zijn toegestaan. Het balkon is volgens het college in overeenstemming met het bestemmingsplan en kon daarom worden vergund.
Beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank beoordeelt het bestreden besluit. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
Overgangsrecht Omgevingswet
6. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 29 december 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo van toepassing blijft.
Parkeernormen
7. Eiser kan zich om meerdere redenen niet vinden in de door het college vastgestelde parkeerbehoefte voor het project. Volgens eiser heeft het college deze parkeerbehoefte ten onrechte vastgesteld aan de hand van CROW-publicatie 744, in plaats van de in het parkeerbeleid voorgeschreven CROW-publicatie 317. Bovendien heeft het college aansluiting gezocht bij de parkeerkencijfers voor de functie “onzelfstandige kamerbewoning (studenten)”, terwijl volgens eiser aangeknoopt had moeten worden bij de parkeerkencijfers voor “kamerverhuur (zelfstandig)” of “aanleunwoning/serviceflat”. Ook heeft het college ten onrechte aangenomen dat de bewoners van het pand geen eigen vervoer hebben en dat ook voor bezoekers geen parkeerplaatsen benodigd zijn. Tot slot heeft het college volgens eiser niet op de juiste wijze gesaldeerd met parkeerplaatsen in de openbare ruimte en heeft het college de parkeerdruk in de omgeving onderschat. De parkeerbehoefte voor het project is daarom volgens eiser te laag vastgesteld.
7.1.
Uit artikel 8.1, aanhef en onder a, van het parapluplan Archeologie en Parkeren volgt het uitgangspunt dat bij een gebruiksverandering voorzien moet worden in voldoende parkeergelegenheid. Dat betekent dat voldaan moet worden aan de parkeernormen uit de Nota parkeerbeleid. Het college heeft zich in het bestreden besluit bij het berekenen van de parkeerbehoefte gebaseerd op CROW-publicatie 744, in plaats van de in de Nota parkeerbeleid voorgeschreven oudere CROW-publicatie 317. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat het college hiermee onzorgvuldig heeft gehandeld. Hierbij betrekt de rechtbank dat in de Nota parkeerbeleid is verduidelijkt dat CROW-publicatie 317 als uitgangspunt dient, maar dat hiervan gemotiveerd kan worden afgeweken. Dat heeft het college in dit geval gedaan omdat een beoordeling naar actuele inzichten over parkeren en parkeerbehoeftes volgens het college het beste zal aansluiten bij de feitelijke situatie. De rechtbank acht die toelichting voldoende. De beroepsgrond slaagt niet.
7.2.
Voor zover eiser heeft aangevoerd dat het college een onjuist parkeerkencijfer heeft toegepast overweegt de rechtbank als volgt. Het college heeft in het bestreden besluit aansluiting gezocht bij het parkeerkencijfer voor “onzelfstandige kamerbewoning (studenten)”. Op zitting heeft het college erkend dat het passender was geweest om, zoals eiser heeft betoogd, aansluiting te zoeken bij het parkeerkencijfer voor “serviceflat/aanleunwoning”. Niet in geschil is dat toepassing van dit laatste parkeerkencijfer kan leiden tot het vaststellen van een grotere parkeerbehoefte dan waarvan het college is uitgegaan. Dit betekent dat het bestreden besluit op dit punt niet zorgvuldig is voorbereid. De rechtbank ziet geen aanleiding dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dat betekent dat de rechtbank het bestreden besluit zal vernietigen. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Daarover wordt het volgende overwogen.
7.3.
De rechtbank stelt vast dat het college tijdens de procedure wisselende standpunten heeft ingenomen over de toe te passen parkeernorm en de parkeerbehoefte van het project. In het primaire besluit is opgenomen dat de aanvraag in strijd is met het bestemmingsplan omdat vier extra parkeerplekken nodig zijn die niet op eigen terrein kunnen worden gerealiseerd. Uit het door het college overgenomen advies van de bezwaarschriftencommissie volgt echter dat uitgegaan moet worden van een parkeerbehoefte van 1 parkeerplek en dat voor deze parkeerplek kan worden gesaldeerd met de parkeerbehoefte die al bestond voordat het project werd vergund. De bezwaarschriftencommissie constateert in haar advies dat niet in geschil is dat de ontwikkeling plaatsvindt in de zone “rest bebouwde kom”. In het bestreden besluit lijkt het college echter aangenomen te hebben dat het project is gesitueerd in de zone “centrum” en heeft het de hierbij gehanteerde parkeerkencijfers gebruikt. In het verweerschrift en het aanvullende verweerschrift wordt vastgehouden aan de standpunten uit het bestreden besluit, maar wordt ook een parkeerberekening gegeven die gebaseerd is op de functie “serviceflat/aanleunwoning”. Die berekening neemt – anders dan het bestreden besluit – tot uitgangspunt dat de ontwikkeling plaatsvindt in de zone “schil centrum”.
7.3.1.
Gelet op bovenstaande onduidelijkheden kan de rechtbank niet vaststellen welke parkeernormering voor de vergunde ontwikkeling toegepast moet worden en welke parkeerbehoefte het project genereert. Het college zal in een nieuw te nemen besluit op bezwaar hierover een onderbouwd standpunt moeten innemen.
Balkon
8. Eiser kan zich verder niet verenigen met het deel van de omgevingsvergunning dat ziet op het balkon. Volgens eiser heeft het college ten onrechte aangenomen dat voor dit balkon de bouwregels van de bestemming “Gemengd” van toepassing zijn.
8.1.
Dit betoog slaagt. Niet in geschil is dat het balkon zich bevindt boven gronden met de bestemming “Wonen”. Dat betekent dat het college had moeten beoordelen of het balkon op grond van deze bestemming is toegestaan. Het college heeft dit ten onrechte niet gedaan, door aan te nemen dat het balkon deel uitmaakt van het hoofdgebouw dat is gelegen binnen de bestemming “Gemengd” en als zodanig dient te voldoen aan de bouw- en gebruiksregels van die bestemming. De rechtbank zal het bestreden besluit ook in zoverre vernietigen. De rechtbank ziet geen mogelijkheid de rechtsgevolgen van het te vernietigen deel van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, nu op grond van het dossier en de ter zitting verkregen informatie onvoldoende duidelijk is geworden of het balkon binnen de bestemming “Wonen” is toegestaan.
Brandveiligheid en daglichttoetreding
9. Voor zover eiser betoogt dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven omdat op het gebied van brandveiligheid niet wordt voldaan aan het Bouwbesluit 2012, overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat brandveiligheidsregels uit het Bouwbesluit strekken tot bescherming van de belangen van eigenaren en gebruikers van de gebouwen waarvoor die eisen gelden en eigenaren en gebruikers van aangrenzende gebouwen. [1] Eiser woont een aantal huizen verderop aan de overzijde van de [straatnaam] en behoort dus niet tot deze doelgroep. Dat betekent dat de bepalingen uit het Bouwbesluit 2012 waarop eiser zich beroept niet strekken tot bescherming van zijn belangen. Het relativiteitsvereiste staat daarom in de weg staat aan vernietiging van het bestreden besluit. Gelet hierop laat de rechtbank dit betoog van eiser onbesproken.
9.1.
De rechtbank overweegt dat het bovenstaande eveneens geldt voor het betoog van eiser ten aanzien van de verminderde daglichttoetreding voor gebruikers van het pand. De bepalingen uit het Bouwbesluit 2012 over daglichttoetreding strekken niet tot bescherming van de belangen van eiser. Zijn betoog hierover stuit daarom af op het relativiteitsvereiste.
Dakterras
10. De rechtbank gaat tot slot voorbij aan het betoog van eiser dat het dakterras bij het pand zou worden gebruikt zonder een daarvoor benodigde vergunning. Het bestreden besluit heeft geen betrekking op het gebruik van dit dakterras. Voor zover voor dit gebruik een omgevingsvergunning is vereist, betreft dit een handhavingskwestie.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond, nu het bestreden besluit in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Het college dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser.
11.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.
Beslissing
De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt het college op het griffierecht van € 194,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van mr. C.A. van der Meijs, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, r.o. 10.38.