De rechtbank Den Haag behandelde op 17 februari 2026 het verzoek van een persoon met Palestijnse achtergrond om zijn staatloosheid vast te stellen en de registratie van zijn nationaliteit in de Basisregistratie Personen te wijzigen van 'onbekend' naar 'staatloos'. De verzoeker is in 2023 Nederland binnengekomen en heeft een verblijfsvergunning asiel ontvangen.
De rechtbank baseerde haar oordeel op de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid (2023) en concludeerde dat verzoeker niet als onderdaan wordt beschouwd door enige staat, waaronder Palestina, Saoedi-Arabië en Syrië. De rechtbank nam diverse documenten in overweging, waaronder een Syrisch reisdocument voor Palestijnse vluchtelingen en UNRWA-registraties, die als authentiek werden bevonden.
De rechtbank oordeelde dat Nederland de Palestijnse nationaliteit niet erkent en dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de nationaliteit van Saoedi-Arabië of Syrië bezit. Op grond hiervan stelde de rechtbank de staatloosheid van verzoeker vast, maar wees het verzoek tot inschrijving van deze staatloosheid in de Basisregistratie Personen af omdat een last tot inschrijving niet nodig is.
De beschikking werd zonder mondelinge behandeling genomen, met instemming van partijen, en is onherroepelijk na uitspraak. De rechtbank stuurde een afschrift van de beschikking naar de woongemeente van verzoeker.