Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:5940

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
C/09/677677 / FA RK 24-9164
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voortgezet raadsonderzoek naar gezag, zorgverdeling en hoofdverblijfplaats minderjarige

De rechtbank Den Haag behandelt een verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij hem te bepalen. Na een eerdere beschikking waarbij ouders werden doorverwezen naar ouderschapsbemiddeling en de Raad voor de Kinderbescherming werd gevraagd een onderzoek te verrichten, blijkt dat de communicatie tussen ouders problematisch blijft en het gezamenlijk gezag onuitvoerbaar is.

De Raad adviseert eerst een ouderschapsbemiddelingstraject te proberen en benadrukt het belang van het structureel naleven van de huidige zorgregeling, waarbij de minderjarige om de week bij de vader verblijft. De vader is echter niet verschenen op de zitting en onderhoudt geen contact met de minderjarige, wat de situatie bemoeilijkt.

De rechtbank oordeelt dat het verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats wordt afgewezen vanwege het ontbreken van contact en stabiliteit. De rechtbank gelast een voortgezet onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming, die over zes maanden een nieuw rapport en advies moet uitbrengen over de zorg- en opvoedingstaken, waarna de zaak zal worden voortgezet met een zitting.

De moeder heeft het verzoek gedaan om eenhoofdig gezag, maar ook dit verzoek wordt aangehouden in afwachting van het vervolgonderzoek. De rechtbank benadrukt het belang van onbelast contact tussen de minderjarige en beide ouders en hoopt dat de vader alsnog zal meewerken aan het traject.

Uitkomst: Verzoek vader tot wijziging hoofdverblijfplaats wordt afgewezen en voortgezet raadsonderzoek gelast.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 24-9164
Zaaknummer: C/09/677677
Datum beschikking: 17 februari 2026
Gezag, verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang en hoofdverblijfplaats

Beschikking op het op 20 december 2024 ingekomen verzoek van:

[de moeder],

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A.G. de Jong te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader],

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: voorheen mr. S. Burger te Rotterdam, die zich inmiddels heeft onttrokken.

Procedure

Bij beschikking van 6 maart 2025 van deze rechtbank:
  • is aan de moeder toestemming verleend – welke toestemming die van de vader vervangt – voor de inzet van hulpverlening voor [minderjarige] ingezet door en via [zorginstantie];
  • zijn partijen doorverwezen naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling;
  • is de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) verzocht bij een niet positief verlopen traject te bezien of een raadsonderzoek noodzakelijk is;
  • is iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang, de hoofdverblijfplaats en de proceskosten aangehouden tot 1 januari 2026 pro forma.
De rechtbank heeft wederom kennis genomen van de stukken, waaronder nu ook:
  • het e-mailbericht van Kenniscentrum Kind en Scheiding van 6 maart 2025;
  • de brief van de Raad van 23 mei 2025;
  • de brief van de Raad van 28 november 2025 met als bijlage het rapport en advies van de Raad te ’s-Gravenhage van 27 november 2025, kenmerk KZ-1-645T8NN.
Op 20 januari 2026 is de behandeling ter zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • [naam] namens de Raad.
De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Beoordeling

Stand van zaken
Partijen zijn bij beschikking van 6 maart 2025 doorverwezen naar ouderschapsbemiddeling. Het Kenniscentrum Kind en Scheiding heeft de rechtbank op 6 maart 2025 bericht dat de aanmeldprocedure is beëindigd, omdat de vader niet akkoord ging met de aanvraag van de gemeentelijke beschikking. Vervolgens zijn de processtukken naar de Raad gestuurd. Deze heeft op 23 mei 2025 laten weten dat zij een onderzoek zullen uitvoeren naar de volgende vragen:
  • Welke gezagssituatie is het meest in het belang van [minderjarige]?
  • Welke zorg-/omgangsregeling tussen de ouders en [minderjarige] is het meest in het belang van [minderjarige]?
  • Is een wijziging van hoofdverblijfplaats van [minderjarige] in haar belang?
Beide ouders hebben tijdens het raadsonderzoek aangegeven open te staan voor de begeleiding van een gezinscoach van [instantie]. Zowel de moeder als [minderjarige] staan daarnaast onder behandeling bij [zorginstantie].
Raadsonderzoek van 27 november 2025
De Raad ziet in dat er al langere tijd onrust is tussen de ouders en dat op dit moment het gezamenlijk gezag onuitvoerbaar lijkt. Hoewel de communicatie tussen de ouders op dit moment voor veel onrust zorgt is de Raad in eerste instantie van mening dat eerst nog een ouderschapsbemiddelingstraject geprobeerd moet worden, nu vader ook zijn bereidheid daarvoor heeft uitgesproken, voordat eventueel een wijziging in het gezag plaatsvindt.
De Raad benadrukt dat de huidige zorgregeling, waarbij [minderjarige] in de even weken van zaterdag 10.00 uur tot zondag 19.00 uur bij de vader is, structureel moet worden nagekomen om [minderjarige] stabiliteit en voorspelbaarheid te bieden. Dit geeft de vader tevens de kans om beter aan te sluiten bij de behoeften van [minderjarige], om de hechtingsrelatie te versterken en om haar het gevoel te geven dat zij welkom en geliefd is. De Raad adviseert de rechtbank om de beslissing over een definitieve zorgregeling aan te houden in afwachting van het verloop van de huidige zorgregeling. Indien blijkt dat de huidige zorgregeling structureel wordt nagekomen, de behandelingen bij [zorginstantie] worden voortgezet en hulpverlening betrokken is gericht op de communicatie tussen ouders en ouderbegeleiding te bieden, adviseert de Raad om de zorgregeling van [minderjarige] uit te breiden naar een passende regeling. Indien blijkt dat ouders onvoldoende in staat en/of bereid zijn om zich hiervoor in te zetten en zich hieraan te houden, kan na een periode van zes maanden vanaf de zittingsdatum een nieuwe afweging door de Raad gemaakt worden over welke zorgregeling in het belang is van [minderjarige].
Wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] is volgens de Raad niet in haar belang. De moeder is de hoofdverzorger en er is nog geen stabiliteit in de zorgregeling. [minderjarige] voelt zich veilig bij moeder en denkt dat vader haar is vergeten.
Ontwikkelingen na het raadsonderzoek
De vader is niet op de zitting verschenen. De moeder heeft aangegeven dat de vader haar heeft bericht dat hij niet zou verschijnen. De afgelopen drie maanden heeft geen contact plaatsgevonden tussen de vader en [minderjarige] en de vader heeft de moeder geblokkeerd. De moeder hoopt dat de vader toch weer contact zal zoeken met [minderjarige] en dat hij de zorgregeling weer zal nakomen.
De Raad heeft op de zitting aangegeven dat inmiddels een aanmelding is gedaan bij [instantie], maar dat er een wachttijd van een jaar is. Dat maakt het extra jammer dat het contact tussen de vader en [minderjarige] de afgelopen periode niet op gang is gekomen. Aangezien er eigenlijk nog geen hulpverlening is ingezet, is de Raad van mening dat toch opnieuw bezien zou moeten worden of er mogelijkheden zijn om het contact te herstellen. Daarom heeft de Raad voorgesteld dat hij, zoals ook al in het raadsrapport was benoemd, zes maanden na de zittingsdatum een vervolgonderzoek kan uitvoeren naar het verloop van de zorgregeling. Gedurende dat onderzoek kan de Raad wederom met ouders op zoek gaan naar de mogelijkheden om de zorgregeling weer op te starten.
De moeder betwijfelt of de vader dit keer wel mee zal werken. Hij heeft na de vorige zitting zijn toestemming voor de doorverwijzing naar ouderschapsbemiddeling weer ingetrokken en is nu ook niet verschenen op de zitting. Zij verzoekt daarom primair om een de zaak niet opnieuw aan te houden. Indien toch een vervolgonderzoek door de Raad wordt gelast, verzoekt zij de rechtbank om na ontvangst van dit nadere rapport en advies zo spoedig mogelijk een zittingsdatum te bepalen.
Gezag en verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang
Hoewel beide ouders gedurende het raadsonderzoek de bereidheid hebben uitgesproken om met behulp van hulpverlening aan hun onderlinge verstandhouding te werken en de zorgregeling weer te hervatten, is er de afgelopen maanden geen contact geweest tussen de vader en [minderjarige]. Ook is er geen (constructief) contact tussen de ouders.
De rechtbank ziet dat [minderjarige] last heeft van deze situatie. Zij heeft het gevoel dat de vader haar vergeten is. De rechtbank is van oordeel dat de vader zich over zijn weerzin tegen de moeder heen moet zetten en dat hij zich moet realiseren wat het voor [minderjarige] betekent dat hij niet in haar leven is. De rechtbank gunt het [minderjarige] dat zij onbelast contact met haar beide ouders kan hebben. Gelet op het feit dat er nog geen hulpverlening is ingezet om dit te bewerkstelligen, en het voor de rechtbank, zoals besproken ter zitting, moeilijk blijft de vinger te leggen op wat nu precies aan contact tussen vader en [minderjarige] in de weg staat, acht de rechtbank het noodzakelijk dat de Raad over zes maanden zijn onderzoek (kenmerk KZ-1-645T8NN) voortzet en nader advies uitbrengt over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. De Raad zal moeten onderzoeken wat de stand van zaken op dat moment is, of er toch bereidheid bestaat bij de vader om de zorgregeling te hervatten en hoe dit gerealiseerd kan worden. De Raad dient daarbij de vraag te beantwoorden welke zorgregeling het meest in het belang van [minderjarige] is. De rechtbank laat het over aan de Raad om te bepalen of [minderjarige] in het kader van dit vervolgonderzoek opnieuw gehoord moet worden. Op de zitting is echter besproken dat dat op dit moment niet nodig lijkt en mogelijk belastend kan zijn voor [minderjarige].
De rechtbank is, mede gelet op het feit dat de vader niet is verschenen op de zitting, uit het oogpunt van de proceseconomie voornemens om direct na ontvangst van het aanvullende advies van de Raad een zitting te plannen, zonder voorafgaande schriftelijke ronde. De rechtbank hoopt dat de vader dit keer wel op de zitting zal verschijnen om zijn visie kenbaar te maken.
De rechtbank zal iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang aanhouden tot na te noemen pro formadatum in afwachting van het voortgezet raadsonderzoek.
Voorts ziet de rechtbank aanleiding om het verzoek van de moeder om haar met eenhoofdig gezag te belasten aan te houden in afwachting van het raadsonderzoek.
Hoofdverblijfplaats
De vader heeft verzocht de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te bepalen.
De rechtbank ziet daarvoor geen aanleiding nu de vader geen contact onderhoudt met [minderjarige], zodat zij dit verzoek zal afwijzen.
Proceskosten
Aangezien de rechtbank een beslissing over het gezag en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang zal aanhouden, zal zij ook een beslissing over de proceskosten aanhouden.

BeslissingDe rechtbank:

wijst af het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te bepalen;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een voortgezet onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;
houdt de behandeling aan tot
15 oktober 2026 pro forma; uiterlijk op die datum dient de Raad voor de Kinderbescherming zo mogelijk zijn rapport met advies te hebben uitgebracht aan de rechtbank met kopie aan beide ouders en hun advocaten;
bepaalt dat, ná ontvangst van het rapport en advies, de behandeling ter zitting, op een nader te bepalen datum en tijdstip, zal worden voortgezet in aanwezigheid van de Raad voor de Kinderbescherming;
houdt iedere verdere beslissing
ten aanzien van het gezag, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang, en de proceskostenaan tot
15 oktober 2026 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.G. Meeder, kinderrechter, bijgestaan door mr. M.J.W. Straatsma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 17 februari 2026.