Op 6 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in de zaak betreffende de verlenging van de terbeschikkingstelling van een terbeschikkinggestelde, geboren in 2004, die in een Forensisch Psychiatrische Kliniek verblijft. De rechtbank heeft de vordering van de officier van justitie om de termijn van de terbeschikkingstelling met twee jaar te verlengen, toegewezen. De terbeschikkinggestelde is gediagnostiseerd met een verstandelijke beperking, een Autisme Spectrum Stoornis, en lijdt aan een angststoornis en depressie. De rechtbank heeft vastgesteld dat de kans op herhaling groot is bij onmiddellijke beëindiging van de maatregel, gezien de aanhoudende stoornissen en de noodzaak voor intensieve zorg en behandeling. De rechtbank heeft de vordering behandeld op 23 december 2025, waarbij de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman, mr. C.J.J. Kwint, zijn gehoord, evenals de officier van justitie, mr. M. de Vries, en deskundigen van de kliniek. De rechtbank concludeert dat de terbeschikkinggestelde nog in de observatiefase zit en dat de behandeling meer tijd in beslag zal nemen dan een jaar. Daarom is de verlenging van de terbeschikkingstelling met twee jaar noodzakelijk voor de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid. De beslissing is openbaar uitgesproken op 6 januari 2026.