Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:5934

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
C/09/676564 / FA RK 24-8618
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 RvArt. 267 RvArt. 269 RvArt. 1:413 BWArt. 1:414 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling van vermissing van betrokkene na langdurig ontbreken van elk spoor

Verzoekster heeft bij de rechtbank Den Haag een verzoek ingediend tot vaststelling van de vermissing van betrokkene, die sinds halverwege de jaren 1980 niet meer is gezien of gehoord. De rechtbank verklaarde zich bevoegd nadat de rechtbank Gelderland zich onbevoegd had verklaard.

Tijdens de zitting en op basis van overgelegde stukken, waaronder verklaringen van verzoekster en haar meerderjarige zoon, concludeert de rechtbank dat het bestaan van betrokkene onzeker is. De officier van justitie adviseerde afwijzing wegens onvoldoende bewijs, maar de rechtbank acht de omstandigheden en het langdurige ontbreken van enig spoor voldoende om het verzoek toe te wijzen.

De rechtbank beveelt de oproeping van betrokkene om van zijn in leven zijn te doen blijken. Indien betrokkene niet verschijnt, zal de rechtbank de vermissing vaststellen en de dag van vermissing bepalen op 1 januari 1985, aansluitend bij het laatste betrouwbare bericht. De procedure wordt voorlopig aangehouden in afwachting van het resultaat van de oproeping.

Uitkomst: De rechtbank stelt de vermissing van betrokkene vast en beveelt zijn oproeping om van zijn in leven zijn te doen blijken.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-8618
Zaaknummer: C/09/676564
Datum beschikking: 17 februari 2026

Vaststelling van vermissing

Beschikkingop het op 28 november 2024 bij deze rechtbank ingekomen verzoekschrift van:

[verzoekster] ,

verzoekster,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. L. Peeters in Nijmegen (voorheen: mr. L. Rubens-Snijders in Nijmegen),
betreffende de vermissing van:

[betrokkene] ,

de betrokkene,
laatstelijk verblijvende in [land] .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de zoon] ,

het meerderjarige kind van verzoekster en betrokkene, hierna: de zoon,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Procedure

Bij beschikking van 21 november 2024 van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft de rechtbank zich onbevoegd verklaard om van het verzoek kennis te nemen en de zaak, in de stand waarin deze zich bevindt, naar deze rechtbank verwezen.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder van:
  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • de instemmingsverklaring van de zoon van 7 december 2024, ingekomen op
  • het bericht van 22 januari 2025 van verzoekster;
  • het bericht van 25 februari 2025 van verzoekster, met bijlage;
  • de schriftelijke conclusie van de officier van justitie van 10 april 2025;
  • het bericht van 26 augustus 2025 van verzoekster, met bijlagen.
Op 12 september 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • verzoekster bijgestaan door haar advocaat en een tolk;
  • de zoon vergezeld van zijn vrouw.
De officier van justitie is niet op de zitting verschenen.
Namens verzoekster is op de zitting een origineel uittreksel uit de Basisregistratie Personen (BRP) van verzoekster overgelegd.
Na de zitting heeft de rechtbank ontvangen:
- het bericht van 10 november 2025 van verzoekster, met bijlagen.

Verzoek en verweer

Verzoekster verzoekt, zoals de rechtbank begrijpt na verduidelijking op de zitting, de rechtbank te gelasten de betrokkene op te roepen teneinde van zijn in leven zijn te doen blijken, en – zo hiervan niet blijkt – de vermissing van de betrokkene vast te stellen, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De zoon heeft ingestemd met toewijzing van het verzoek, althans wil geen verweer voeren en heeft verklaard geen gebruik te willen maken van zijn recht om door de rechter te worden gehoord.

Beoordeling

Rechtsmacht, toepasselijk recht en relatieve bevoegdheid
Omdat verzoekster de Nederlandse nationaliteit heeft, heeft de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rechtsmacht om te beslissen op het verzoek en past bij gebrek aan nadere conflictregels het Nederlandse recht toe.
Op grond van artikel 267 Rv Pro is in zaken van afwezigheid of vermissing bevoegd de rechter van de verlaten woonplaats van de afwezige of vermiste. Deze bepaling wordt aangevuld door artikel 269 Rv Pro, inhoudende dat indien de artikelen 262 tot en met 268 geen bevoegde rechter aanwijzen de rechter in Den Haag bevoegd is. In deze zaak is de vermoedelijke verlaten woonplaats van de betrokkene niet in Nederland gelegen. Deze rechtbank is daarom bevoegd om van het verzoek kennis te nemen.
Inhoudelijke beoordeling
Uit de overgelegde stukken en dat wat op de zitting is besproken, is de rechtbank onder meer het volgende gebleken:
  • Verzoekster is op [datum] 1980 in [plaats] , [land] gehuwd met betrokkene.
  • Verzoekster en betrokkene woonden tijdens hun huwelijk in [land] .
  • De zoon is geboren binnen het huwelijk van verzoekster en betrokkene.
  • Betrokkene is samen met een broer en zijn zoon, een oom en een neef van verzoekster halverwege de jaren 1980 opgepakt vanwege verzet tegen het regime van Saddam Hoessein. De lichamen van de broer van betrokkene en zijn zoon zijn teruggegeven, de overige lichamen zijn nooit gevonden. Ondanks een zoektocht is van betrokkene nooit meer vernomen.
  • In 1995 is verzoekster met de zoon naar Iran gevlucht, waar zij de status vluchteling hebben gekregen. Daarna zijn verzoekster en de zoon met behulp van het Rode Kruis naar Nederland gekomen.
  • Verzoekster is ervan overtuigd dat betrokkene vermoord is, maar daarvan is geen documentatie opgesteld. Betrokkene zou in [land] wel als vermist geregistreerd staan.
  • Verzoekster en de zoon hebben de Nederlandse nationaliteit.
  • Betrokkene staat niet geregistreerd in de BRP.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. Volgens de officier van justitie zijn de verklaringen van verzoekster ontoereikend om met voldoende mate van zekerheid te kunnen vaststellen dat het bestaan van betrokkene onzeker is. Andere bronnen dan de verklaring van verzoekster zijn niet overgelegd.
Anders dan de officier van justitie van mening is, is de rechtbank gelet op de voorafgaand en na de zitting overgelegde stukken en de mondelinge toelichting van verzoekster en de zoon op de zitting van oordeel dat het bestaan van de betrokkene, waarvan sinds halverwege de jaren 1980 ieder spoor ontbreekt, onzeker is. Er is meer dan een jaar verstreken tussen het moment dat het onzeker is geworden dat de betrokkene nog in leven was en het ingediende verzoek en er zijn omstandigheden die de dood van de betrokkene aannemelijk maken. De rechtbank is van oordeel dat is voldaan aan de vereisten van artikel 1:413 eerste Pro en tweede lid BW, zodat het verzoek kan worden toegewezen. De rechtbank zal verzoekster opdragen de betrokkene op te roepen om van zijn in leven zijn te doen blijken. Als hier niet van blijkt, zal de rechtbank de vermissing van de betrokkene vaststellen.
Als de betrokkene geen blijk geeft van zijn in leven zijn, moet de rechtbank op grond van artikel 1:414 derde Pro lid BW de dag te bepalen waarop de betrokkene is vermist. Hierover bepaalt de wet dat als dag van vermissing geldt ‘de dag volgende op die van het laatste bericht waaruit blijkt dat de vermiste in leven was, tenzij er voldoende aanwijzingen zijn dat hij daarna nog enige tijd in leven was’. Volgens verzoekster is de betrokkene vermist vanaf halverwege de jaren 1980. De rechtbank zal, gelet op voornoemd wetsartikel, dan bepalen dat de betrokkene is vermist vanaf 1 januari 1985.
Vooralsnog, in afwachting van het resultaat van de wettelijk voorgeschreven oproeping van de betrokkene, is het verzoek op de wet gegrond en voor toewijzing vatbaar.

Beslissing

De rechtbank:
beveelt verzoekster de betrokkene bij advertentie op te roepen met inachtneming van een termijn van een maand om te verschijnen op de zitting van deze rechtbank van
4 mei 2026 om 13.00 uur, teneinde van zijn in leven zijn te doen blijken;
bepaalt dat de advertentie c.q. oproep volgens aangehecht model tijdig zal worden geplaatst in:
  • de Nederlandse Staatscourant;
  • een in [land] landelijk verschijnend dagblad of ander beschikbaar communicatiemiddel;
bepaalt dat verzoekster tegen het tijdstip van de nadere zitting tot bewijs van de oproepingen moet overleggen:
  • een (digitaal) bewijs van de oproep van de vermiste in de Nederlandse Staatscourant;
  • schriftelijke informatie over het in [land] gebezigde communicatiemiddel en de berichtgeving die via dat middel is verspreid;
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de vaststelling van de vermissing van de betrokkene pro forma aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. S. Sluijmer als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 17 februari 2026.

Oproep

De rechtbank Den Haag heeft de oproeping bevolen van de betrokkene:
naam: [betrokkene] ,
geboren: [geboortedatum] 1954 in [geboorteplaats] , [land] ,
laatst bekend adres: [land] ,
ter zitting van deze rechtbank, op: 4 mei 2026 om 13.00 uur,
in verband met een ingediend verzoekschrift tot het verkrijgen van een vaststelling van vermissing van de betrokkene,
Voor inlichtingen: mr. L. Peeters, in Nijmegen, telefoonnummer [telefoonnummer] .