Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:5918

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
12063008 \ RL EXPL 26-1412
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vorderingen wegens geen onrechtmatige onderhuur en onvoldoende aannemelijkheid schade bouwkundig plafond

De eigenaar van een pand vorderde in kort geding ontruiming van het gehuurde, herstel van een beschadigd brandwerend plafond en een verbod op gebruik door bepaalde personen. De huurovereenkomst was gesloten met een V.O.F. die een horecagelegenheid exploiteert. De eigenaar stelde dat er sprake was van illegale onderverhuur en beschadiging van het bouwkundig plafond.

De kantonrechter oordeelde dat de vennoten die niet direct partij waren bij de huurovereenkomst geen ongeoorloofd gebruik maakten van het pand, omdat zij deel uitmaken van de V.O.F. De vordering tot ontruiming en verbod op gebruik werd daarom afgewezen. Wat betreft het bouwkundig plafond was niet aannemelijk dat de V.O.F. aansprakelijk was voor de huidige staat, mede omdat monitoren die waren opgehangen inmiddels waren verwijderd en vervangen door brandwerende platen.

Daarnaast ontbrak het spoedeisend belang omdat de eigenaar al sinds eind 2024 op de hoogte was van de situatie en de gemeente geen sluiting had bevolen. De gevolgen van toewijzing zouden ingrijpend zijn voor de exploitanten. De kantonrechter veroordeelde de eigenaar tot betaling van de proceskosten en wees de vorderingen af.

Uitkomst: De vorderingen van de eigenaar worden afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid en gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
SJ/bc
Zaaknummer: 12063008 \ RL EXPL 26-1412
Vonnis in kort geding van 10 maart 2026
in de zaak van
[eisende partij],
te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. F. Yildiz,
tegen

1.[gedaagde partij sub 1] V.O.F.,

te [plaats] ,
2.
[gedaagde partij sub 2],
te [woonplaats 1] ,
3.
[gedaagde partij sub 3],
te [woonplaats 2] ,
4.
[gedaagde partij sub 4],
te [woonplaats 2] ,
5.
[gedaagde partij sub 5],
te [woonplaats 3] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde partijen] ,
gemachtigde: mr. M.A. van Kleef.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 27 januari 2026 met producties 1 tot en met 8,
- de producties 1 tot en met 14 van [gedaagde partijen] zoals ingediend op 23 februari 2026,
- de pleitnota van [gedaagde partijen] ,
- de mondelinge behandeling van 24 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

2.De feiten

2.1.
[eisende partij] is eigenaar van het pand aan de [adres] , te [plaats] (hierna: het pand).
2.2.
In juni 2024 is [eisende partij] een huurovereenkomst bedrijfsruimte aangegaan met mevrouw [gedaagde partij sub 2] en de heer [gedaagde partij sub 5] ter verhuur van het pand.
2.3.
Mevrouw [gedaagde partij sub 2] en de heer [gedaagde partij sub 5] hebben op 1 juli 2024 samen [gedaagde partij sub 1] V.O.F. (hierna: de V.O.F.) opgericht. Op 1 april 2025 is de heer [gedaagde partij sub 5] uitgetreden als vennoot en zijn mevrouw [gedaagde partij sub 3] en de heer [gedaagde partij sub 4] toegetreden als vennoten.
2.4.
In het pand wordt door de V.O.F. een horecagelegenheid geëxploiteerd onder de naam [gedaagde partijen] (hierna: de pizzeria).
2.5.
Op 14 november 2024 ontving [eisende partij] van de bovenbuurman van het pand een WhatsAppbericht dat er twee schroeven door zijn vloer waren geboord. [gedaagde partijen] waren op dat moment bezig met het ophangen van een drietal monitoren aan het bouwkundig plafond. [eisende partij] heeft na ontvangst van dit WhatsAppbericht direct contact opgenomen met [gedaagde partijen] en zij hebben vervolgens meteen de schroeven verwijderd.
2.6.
In december 2024 is [eisende partij] langs geweest in het pand. Sindsdien bestaat er tussen partijen een discussie over het al dan niet verwijderen van brandwerende plafondplaten uit het bouwkundig plafond door [gedaagde partijen] en over gebruik van het pand door anderen dan mevrouw [gedaagde partij sub 2] en de heer [gedaagde partij sub 5] .
2.7.
Op 17 juli 2025 hebben medewerkers van de afdeling bouw- en woningtoezicht en de afdeling handhaving en toezicht van de Gemeente [gemeente] (hierna: de Gemeente) een controle uitgevoerd in het pand. In een mail aan [eisende partij] en [gedaagde partijen] is laten weten dat deze medewerkers – onder meer – het volgende hebben geconstateerd:

[…]
1.
De nieuw brandwerende scheidingsmuur tussen u en ‘ [bedrijfsnaam] ’, voldoet niet aan de gestelde brandwerende eisen.
2.
De bestaande brandwerende scheidingsmuur tussen [gedaagde partijen] en trapopgang met de woning, voldoet niet aan de gestelde brandwerende eisen.
3.
het bouwkundige plafond tussen [gedaagde partijen] en [bedrijfsnaam] en de woningen, voldoet niet aan de gestelde brandwerende eisen.
4.
De verplichte rookmelder bij [gedaagde partijen] in de wachtruimte was niet aanwezig.
5.
De rookmelder in ‘ [bedrijfsnaam] ’ geeft een pieptoon af, deze voldoet niet aan de gestelde brandwerende eisen.
[…]
2.8.
De Gemeente heeft aan deze constateringen (nog) geen consequenties verbonden.
2.9.
Na 17 juli 2025 zijn de drie monitoren verwijderd en hebben [gedaagde partijen] een brandwerende plaat bevestigd over de plek waar de schroeven van de monitoren in het bouwkundig plafond waren bevestigd.

3.Het geschil

3.1.
[eisende partij] vraagt bij voorlopige voorziening – samengevat – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
[gedaagde partijen] te veroordelen het gehuurde binnen 14 dagen na betekening van het vonnis te ontruimen en de sleutels ter beschikking te stellen van [eisende partij] ;
[gedaagde partijen] te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis het door hen beschadigde brandwerende plafond in het gehuurde op eigen kosten volledig te herstellen tot de oorspronkelijke brandwerende staat, conform de brandveiligheidsnormen;
Subsidiair:
[gedaagde partijen] te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis [eisende partij] en een door [eisende partij] aangewezen herstelbedrijf toegang te verlenen tot het gehuurde teneinde het plafond te herstellen, zulks op kosten van gedaagden;
Te bepalen dat zolang het pand niet brandveilig is gemaakt en geïnspecteerd, binnen het pand geen exploitatie mag plaatsvinden;
Te bepalen dat de exploitatie c.q. gebruik van het pand enkel mag plaatsvinden door de huurders genoemd in de huurovereenkomst en tevens mevrouw [gedaagde partij sub 3] en de heer [gedaagde partij sub 4] het pand niet meer zullen betreden;
Te bepalen dat [gedaagde partijen] een dwangsom van € 500 per dag verbeuren voor iedere dag dat zij in gebreke blijven met de nakoming van het onder A, B of C gevorderde;
[gedaagde partijen] te veroordelen in de kosten van dit kort geding waaronder salaris gemachtigde.
3.2.
[eisende partij] legt aan de vorderingen ten grondslag dat [gedaagde partijen] ongeoorloofd brandwerende plafondplaten hebben verwijderd van het bouwkundig plafond. Bovendien wordt het pand gebruikt door anderen dan degenen met wie [eisende partij] de huurovereenkomst is aangegaan, waardoor er sprake is van illegale onderverhuur.
3.3.
[gedaagde partijen] voeren verweer. [gedaagde partijen] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eisende partij] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure.
3.4.
[gedaagde partijen] voeren hiertoe aan dat spoedeisend belang ontbreekt aangezien de kwestie al sinds november 2024 speelt. Bovendien zijn de monitoren uit het bouwkundig plafond verwijderd en hebben [gedaagde partijen] op die plekken een brandwerende plaat aan het bouwkundig plafond bevestigd. Tot slot dateren de wisselingen van de vennoten van 1 april 2025, waardoor ook voor de overige vorderingen spoedeisend belang ontbreekt. Daarnaast is de huurovereenkomst aangegaan met de V.O.F. waardoor alle vennoten gebruik mogen maken van het pand. Daarom moet de ontruimingsvordering worden afgewezen. [eisende partij] heeft bovendien het pand verhuurd met het bouwkundig plafond in de staat waarin de Gemeente deze aantrof. [gedaagde partijen] hebben daar behalve het ophangen van de monitoren niets aan aangepast. Het ontbreken van gedeeltes van het bouwkundig plafond kan [gedaagde partijen] daarom niet worden aangerekend. Ook verzoeken [gedaagde partijen] dat, bij toewijzing van enige vordering, het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard, aangezien [gedaagde partijen] dan in een noodtoestand komen te verkeren.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Geen onrechtmatige onderhuur of ongeoorloofd gebruik door derden
4.1.
Voor toewijzing van de vorderingen in dit kort geding is vereist dat de aan die vorderingen ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden voldoende aannemelijk zijn en dat het ook in voldoende mate waarschijnlijk is dat die vorderingen in een nog te voeren gewone procedure (bodemprocedure) zullen worden toegewezen. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in dit kort geding in beginsel geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele bodemprocedure.
4.2.
De kantonrechter oordeelt dat, anders dan [eisende partij] stelt, mevrouw [gedaagde partij sub 3] en meneer [gedaagde partij sub 4] geen ongeoorloofd gebruik maken van het pand en dat er niet illegaal aan hen wordt onderverhuurd. In het pand wordt een pizzeria uitgebaat door de V.O.F. Een van de vennoten van de V.O.F. is mevrouw [gedaagde partij sub 2] . Zij is ook een van de partijen bij de huurovereenkomst en op basis daarvan gerechtigd de pizzeria te exploiteren in het pand. Dat zij dit samen met andere vennoten doet, betekent niet dat er sprake is van illegale onderhuur of ongeoorloofd gebruik van het pand door derden. Dit betekent dat niet met de vereiste waarschijnlijkheid te verwachten is dat de bodemrechter, mocht hij over het voorliggende geschil oordelen, de vordering tot ontruiming en het verbod op gebruik van het pand door mevrouw [gedaagde partij sub 3] en de heer [gedaagde partij sub 4] zal toewijzen. Dit betekent dat de primaire vordering A en subsidiaire vordering C op basis hiervan wordt afgewezen.
Feiten en omstandigheden bouwkundig plafond onvoldoende aannemelijk
4.3.
Het enige dat, wat het bouwkundig plafond betreft, tussen partijen vaststaat is dat [gedaagde partijen] in november 2024 drie monitoren aan het bouwkundig plafond hebben aangebracht. Zij hebben echter onweersproken verklaard dat deze in de zomer van 2025 weer zijn verwijderd en dat zij daarvoor in de plaats een brandwerende plaat hebben aangebracht aan het bouwkundig plafond. Voor zover de vorderingen van [eisende partij] zien op het herstel hiervan, is niet waarschijnlijk dat deze door een bodemrechter worden toegewezen.
4.4.
Voor zover de vorderingen zien op herstel van de overige delen van het bouwkundig plafond overweegt de kantonrechter dat in het kader van dit kort geding niet kan worden vastgesteld wat de zogenaamde oorspronkelijke brandwerende staat van het bouwkundig plafond was op het moment dat [eisende partij] , mevrouw [gedaagde partij sub 2] en meneer [gedaagde partij sub 5] de huurovereenkomst in 2024 zijn aangegaan. Ook kan niet worden vastgesteld welke onderdelen in het bouwkundig plafond brandwerend zijn of waren, op welk moment welke wijzigingen aan het bouwkundig plafond zijn aangebracht en door wie. Daarom is niet voldoende aannemelijk dat [gedaagde partijen] aansprakelijk is voor de huidige staat van het bouwkundig plafond zoals geconstateerd door de Gemeente. De aan de vorderingen ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden ten aanzien van de overige delen van het bouwkundig plafond zijn dus onvoldoende aannemelijk, waardoor het niet waarschijnlijk is dat de vorderingen in een bodemprocedure zullen worden toegewezen. Hierdoor kunnen ook de overige vorderingen van [eisende partij] niet worden toegewezen.
Bovendien geen spoedeisend belang
4.5.
Ook overigens geldt dat [eisende partij] geen spoedeisend belang heeft bij de gevraagde vorderingen. [eisende partij] is al sinds eind 2024 op de hoogte van de situatie aan het bouwkundig plafond en deze situatie is in de zomer van 2025 al (gedeeltelijk) opgelost. De staat van het bouwkundig plafond zorgt bovendien niet voor een dusdanig brandgevaarlijke situatie dat de pizzeria gesloten moet worden tot de aanpassingen aan het bouwkundig plafond zijn gedaan. Anders had de Gemeente dit wel bevolen. Ook is [eisende partij] al sinds april 2025 op de hoogte van de wisseling van vennoten en heeft hij niet gesteld waarom hij spoedeisend belang heeft bij de vorderingen die zien op ontruiming van het pand dan wel verbod op gebruik door anderen dan degenen met wie hij de huurovereenkomst is aangegaan. Gelet op het voorgaande en in aanmerking nemende dat de gevolgen voor [gedaagde partijen] bij toewijzing van de gevorderde ontruiming en/of sluiting van de pizzeria tot aanpassing van het bouwkundig plafond ingrijpend zijn, is de kantonrechter van oordeel dat van [eisende partij] kan worden gevergd de uitkomst van een bodemprocedure af te wachten. Hieruit volgt dat de gevraagde vorderingen ook niet toewijsbaar zijn vanwege gebrek aan spoedeisend belang.
Proceskosten
4.6.
[eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde partijen] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
865,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.009,00
4.7.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eisende partij] af,
5.2.
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan een van de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eisende partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.T.H. Janssen en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.