Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:5907

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
NL26.8401
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 50 lid 3 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen ophouding op grond van Vreemdelingenwet 2000

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om hem op te houden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser betoogde dat het strafrechtelijke voortraject niet controleerbaar was vanwege het ontbreken van stukken en dat het gebruik van een beëdigde tolk zonder vermelding van de naam een gebrek in de ophouding opleverde, wat onrechtmatigheid en schadevergoeding zou rechtvaardigen.

De rechtbank overweegt dat zij niet bevoegd is om het strafrechtelijke voortraject te toetsen en dat het beoordelingskader begint bij de aanvang van de ophouding. Verder is vastgesteld dat eiser de Oezbeekse taal machtig is en de tolk heeft begrepen, waardoor het ontbreken van de naam van de tolk geen schending van belangen oplevert.

De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en wijst het verzoek om proceskosten en schadevergoeding af. De uitspraak is gedaan door rechter A. Hello en griffier F.S. Ulrich en is onherroepelijk.

Uitkomst: Het beroep tegen de ophouding wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.8401

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. F. Boone),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).

Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder eiser opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiser heeft daarbij verzocht om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt zich op het standpunt dat geen stukken zijn overgelegd met betrekking tot de strafrechtelijke heenzending, waardoor niet controleerbaar is of de tijdstippen van het strafrechtelijke voortraject en de vreemdelingenrechtelijke ophouding met elkaar overeenstemmen. Daarnaast betoogt eiser dat uit het proces-verbaal van ophouding en onderzoek blijkt dat gebruik is gemaakt van een beëdigde tolk in de Oezbeekse taal, zonder dat daarin is vermeld om welke tolk het gaat. Volgens eiser levert dit een gebrek in de ophouding op, hetgeen dient te leiden tot de onrechtmatigheid van het besluit tot ophouding en tot toekenning van schadevergoeding.
2. Ten aanzien van de heenzending voorafgaand aan de ophouding van eiser overweegt de rechtbank als volgt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 22 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:190, volgt dat het niet aan de rechter in vreemdelingenzaken is om te oordelen over de aanwending van andere dan bij of krachtens de Vw toegekende bevoegdheden. Dit betekent dat de rechtbank het strafrechtelijke voortraject in deze procedure niet op rechtmatigheid kan beoordelen. Het beoordelingskader van de rechter begint in deze procedure daarom bij de aanvang van de ophouding. De rechtbank overweegt verder dat gebruik is gemaakt van een beëdigde tolk in de Oezbeekse taal. Niet is betwist dat eiser deze taal machtig is en dat hij de tolk heeft begrepen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het niet opnemen van de naam van de tolk eiser in zijn belangen heeft geschaad, noch dat sprake is van een gebrek dat tot onrechtmatigheid van het bestreden besluit moet leiden.
Conclusie en gevolgen
3. Het beroep is ongegrond.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.