ECLI:NL:RBDHA:2026:5883
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublin-Zwitserland
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen, omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de aanvraag op grond van de Dublin-verordening.
De rechtbank heeft beoordeeld of het beroep ontvankelijk is. Volgens artikel 6:5 Awb Pro moet het beroepschrift de gronden van het beroep bevatten. Eiser heeft deze gronden niet verstrekt. De rechtbank heeft eiser hierop gewezen en hem in de gelegenheid gesteld om binnen een termijn alsnog de gronden in te dienen.
Eiser heeft binnen deze termijn geen beroepsgronden aangeleverd. Zijn gemachtigde heeft aangegeven geen contact meer te hebben met eiser en niet in staat te zijn de gronden aan te vullen. Hierdoor is het beroep niet ontvankelijk verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
De uitspraak is gedaan door rechter M. van Harten en griffier F. Metz en is in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026. Partijen kunnen binnen zes weken verzet instellen tegen deze uitspraak.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden.