De kantonrechter van de Rechtbank Den Haag heeft op 18 maart 2026 een beschikking gegeven inzake een verzoek tot machtiging voor de verdeling van de nalatenschap van een overledene ten behoeve van twee minderjarige erfgenamen.
Verzoekster, als wettelijk vertegenwoordiger en bewindvoerder, vroeg goedkeuring voor de verdeling en vrijstelling van een notariële akte, met de bepaling dat de erfdelen van de minderjarigen worden gestort op BEM-rekeningen met blokkade tot hun 23e jaar. De kantonrechter oordeelde dat de verdeling niet ingewikkeld is en dat een onderhandse akte volstaat. Tevens werd goedkeuring gegeven voor de verdeling zoals voorgesteld, waarbij de belangen van de minderjarigen niet worden geschaad.
Hoewel er testamentair bewind is ingesteld tot de meerderjarigheid, bestaat er een risico dat de bewindvoerder zelfstandig over het geld kan beschikken. Daarom is het noodzakelijk dat de gelden op een BEM-rekening worden gestort, die geblokkeerd is tot de meerderjarigheid van de minderjarige. De kantonrechter benadrukte dat deze blokkade slechts tot de meerderjarigheid kan worden opgelegd, omdat het toezicht op vermogen van meerderjarigen niet tot zijn taak behoort.
De kantonrechter stelde voorwaarden aan de storting en vroeg om bewijs van de BEM-clausule op de rekeningen. Het verzoek om een blokkade tot de 23e verjaardag werd afgewezen. Tegen deze beschikking staat hoger beroep open bij het gerechtshof te Den Haag.