ECLI:NL:RBDHA:2026:5869
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening in asielzaak niet-ontvankelijk verklaard
Verzoekster heeft tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie, waarbij haar asielaanvraag op 13 augustus 2026 als kennelijk ongegrond werd afgewezen, beroep ingesteld. Tevens verzocht zij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zonder zitting uitspraak gedaan. Omdat de rechtbank op dezelfde dag uitspraak heeft gedaan in de hoofdzaak (zaaknummer NL25.39354), acht de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk.
Daarom is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter E.J. Govaers en griffier S.D.C.J. Verheezen en is openbaar gemaakt op www.rechtspraak.nl. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de hoofdzaak reeds is beslist.