ECLI:NL:RBDHA:2026:5847

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
NL26.6912
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 3 VwBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing grensdetentie wegens onevenredige belasting door kwetsbaarheid eiseres

Eiseres, een vrouw met de Colombiaanse nationaliteit, werd op 29 januari 2026 in grensdetentie geplaatst op grond van artikel 6 lid 3 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Zij stelde beroep in tegen deze vrijheidsontnemende maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. Tijdens de zitting op 17 februari 2026 verklaarde eiseres dat zij ernstige gezondheidsklachten ervaart, waaronder stress, slaapproblemen, hoofdpijn, maagzuur en toegenomen paniekaanvallen. Zij is onder behandeling bij een psycholoog in Argentinië, maar kan deze behandeling niet online voortzetten omdat zij in detentie geen laptop of telefoon krijgt verstrekt.

De rechtbank stelde vast dat eiseres zichtbaar emotioneel en kwetsbaar was tijdens de zitting en achtte haar verklaringen geloofwaardig. Het beleid van de minister om geen digitale middelen in vreemdelingendetentie te verstrekken, draagt bij aan de onevenredige belasting van eiseres. Gezien haar kwetsbaarheid en de omstandigheden achtte de rechtbank het voortduren van de detentie onrechtmatig en beval de onmiddellijke opheffing van de maatregel per 17 februari 2026.

De rechtbank wees het verzoek om schadevergoeding af omdat de onrechtmatigheid en opheffing van de maatregel samenvielen. Wel veroordeelde zij de minister tot betaling van de proceskosten van eiseres, vastgesteld op €1.868,00, te betalen aan de rechtsbijstandverlener. De uitspraak werd mondeling gedaan en is openbaar bekendgemaakt op 17 februari 2026.

Uitkomst: De rechtbank beveelt opheffing van de grensdetentie wegens onevenredige belasting van eiseres en verklaart het beroep gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.6912
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. S.N. Ali),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. S. de Vries).

Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2026 (het bestreden besluit) is aan eiseres met toepassing van artikel 6, derde lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 17 februari 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen D.P. Navarete. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van 17 februari 2026;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,00.

Overwegingen

1. Eiseres heeft de Colombiaanse nationaliteit. Zij is geboren op [geboortedag] 1987.
2. Eiseres heeft ter zitting verklaard dat zij veel stress heeft in detentie, dat zij slecht slaapt, dat zij continu hoofdpijn heeft, dat zij last heeft van maagzuur, dat haar paniekaanvallen in detentie zijn toegenomen en dat zij het gevoel heeft dat zij steeds gekker wordt. Van paniekaanvallen heeft zij al langer last en daarvoor is zij onder behandeling bij een psycholoog in Argentinië. Zij zou die behandeling online kunnen voortzetten, maar in detentie krijgt zij niet de beschikking over een laptop of telefoon. Eiseres heeft verder ook nog verklaard dat haar Hiv-medicatie minder goed werkt door het eten in detentie.
3. De rechtbank stelt vast dat eiseres bij de behandeling ter zitting erg zenuwachtig is en dat zij regelmatig huilbuien heeft wanneer zij vertelt over het verloop van de detentie.
4. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de authenticiteit van de verklaringen en emoties van eiseres. Dat eiseres de behandeling bij haar psycholoog niet online kan voortzetten is een rechtstreeks gevolg van het beleid van de minister om in vreemdelingendetentie geen laptop of mobiele telefoon te verstrekken. Dat de minister eiseres ook kwetsbaar vindt blijkt overigens ook al uit het feit dat zij alleen op cel is geplaatst, waar de norm bij grensdetentie in het Justitieel Complex Schiphol twee personen per cel is. Gelet op voornoemde omstandigheden vindt de rechtbank eiseres te kwetsbaar om nog langer in detentie te kunnen verblijven. De rechtbank is daarom van oordeel dat het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van heden onevenredig bezwarend moet worden geacht.
4. Het beroep is gegrond en vrijheidsontnemende maatregel is met ingang van 17 februari 2026 onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 17 februari 2026. De rechtbank ziet geen aanleiding om de maatregel al op een eerder moment onrechtmatig te achten.
5. Omdat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig is geworden op de dag dat ook de opheffing van de maatregel wordt bevolen, ziet de rechtbank geen aanleiding om eiseres schadevergoeding toe te kennen. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
6. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2026 door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van D.P. van Middelkoop, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.